door Redactie op wo 10 nov 2004, 18:49
De 'Freedom of Speech' is in elke zichzelf respecterende democratie vastgeankerd. Ondanks de erkenning van dit democratisch basisprincipe flirten velen graag met de grens van die vrijheid van meningsuiting. Politicsinfo.net heeft vooralsnog geen spreekverbod en legt het principe daarom graag voor u uit.
Dura lex sed lex*
* De wet is hard, maar is nu eenmaal de wet.
De vrijheid van meningsuiting is in een rist wetteksten en internationale verdragen omschreven. Om te beginnen, en om het geheugen even op te frissen, geven we ze u graag nog even mee.
Artikel 19 van de Belgische Grondwet:
'De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd.'
Artikel 10 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens:
1. 'Eenieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of door te geven, zonder inmenging van overheidswege en ongeacht grenzen.'
Artikel 19 uit het BUPO-verdrag van de Verenigde Naties (BUrgerlijke en POlitieke rechten)
2. 'Eenieder heeft het recht op vrijheid van meningsuiting; dit recht omvat mede de vrijheid inlichtingen en denkbeelden van welke aard ook op te sporen, te ontvangen en door te geven, ongeacht grenzen, hetzij mondeling, hetzij in geschreven of gedrukte vorm, in de vorm van kunst of met behulp van andere media naar zijn keuze.'
Experienta docet sapientam*
* Door ondervinding wordt men wijs.
Elke burger heeft dus een grondwettelijk recht op vrije meningsuiting, ook al deugen die meningen voor geen millimeter.
Voltaire's uitspraak: "Ik kan uw mening nog zo abject vinden, maar ik zal uw recht verdedigen om die te uiten", vat dit zo ontegensprekelijk juist samen.
Maar deze vrijheid is niet absoluut. Wie zich schuldig maakt aan laster en eerroof, kan veroordeeld worden tot een straf of tot het betalen van een schadevergoeding.
Hoever reikt de vrijheid van meningsuiting? En wanneer is er bijvoorbeeld sprake van aansporing tot racisme, of belediging? Asielzoekers afschilderen als misdadigers, drugsdealers en prostituees is volgens de rechtspraak in ieder geval een brug te ver. De rechtbank oordeelt dat dergelijke uitspraken de grens van het toelaatbare overschrijdt. Het recht op vrije meningsuiting is beperkt door onder meer de goede zeden en de goede naam van anderen. Het recht op meningsvrijheid wordt ook begrensd als de grondbeginselen van de democratische samenleving worden bedreigd en anderen daardoor schade lijden.
Tegelijk met het recht op die vrije meningsuiting komt al vlug censuur om de hoek kijken. Censuur als inbreuk op de vrijheid van meningsuiting wordt in het westen geassocieerd met het verleden of met dictatoriale regimes. Nochtans is het nog niet zo lang geleden dat de katholieke kerk bij ons een index van verboden boeken hanteerde en op die manier de censuur tot ver in de twintigste eeuw in stand hield. Ook vandaag nog bestaat de censuur, als bijvoorbeeld ethische normen met voeten worden getreden.
Wie herinnert zich niet het dispuut tussen auteur Herman Brusselmans en modeontwerpster Ann Demeulemeester (december 2000). De rechtbank veroordeelde de auteur tot een schadevergoeding van 2.480 euro (100.000 Belgische frank) omdat hij in zijn boek 'Uitgeverij Guggenheimer' de goede naam en eer van Demeulemeester op 'grove en lasterlijke wijze heeft beklad'. De publicatie zelf werd evenwel niet uit de handel genomen, en kon dus vrijelijk worden verkocht. Dat bewijst de moeilijkheidsgraad om het evenwicht te vinden tussen twee fundamentele grondrechten. Enerzijds het recht op vrije meningsuiting, en anderzijds het recht op privacy en de bescherming van de reputatie en goede naam.
Voorts dient te worden opgemerkt dat er ook al eens gekoketteerd wordt met censuur als moderne marketingstrategie. Wat het geval Brusselmans-Demeulemeester in elk geval bewees, is dat het boek een aandacht kreeg die het in normale omstandigheden nooit had gekregen.
Censuur en zelfcensuur worden veelal in verband gebracht met politieke of religieuze regimes die aanstoot nemen aan een vrij woord. Toch kan men ervan uitgaan dat er allicht geen boek of artikel ergens ter wereld verschijnt zonder dat er door de auteur of de redacteur is in geschrapt, of dat nu in de vrije wereld is of in landen waar een staatsideologie de plak zwaait. In de "vrije wereld" heersen over het algemeen de regels van smaak, mode en commercie, terwijl er in die andere landen ook nog eens de regel van politieke correctheid aan wordt toegevoegd. Het is vreemd dat de westerse beperkingen niet altijd in verband met censuur worden gebracht, terwijl elke andere vorm van censuur in het buitenland onmiddellijk en onvoorwaardelijk veroordeeld wordt.
Uitgever en journalist Leo de Haes schreef in 2001 naar aanleiding van de Arkprijs van het Vrije Woord die uitgereikt werd aan Ludo Abicht een opiniestuk waarin hij de vrije meningsuiting toetst aan ons huidige moderne samenleving. Hij merkte onder meer het volgende op: niemand wordt nog tot de brandstapel veroordeeld of gebroodroofd wegens een controversiële opinie. Dat klopt natuurlijk. Toch onderhouden velen van ons, ook volbloeddemocraten, een ongemakkelijke en vaak dubbelhartige verhouding met de vrijheid van meningsuiting.
Ten bewijze: Bert Anciaux, een politicus die moeilijk van antidemocratische sympathieën kan verdacht worden, voelde zich in de slipstream van de Sauwens-affaire plotseling geroepen om negationistische (die het bestaan van de holocaust ontkennen) boeken en geschriften, uit de rekken van onze bibliotheken te laten halen. Er moest ook dringend een lijst van 'slechte' boeken worden opgesteld.
Het verbod op negationistische geschriften is zowat de meest idiote wet van het vorige decennium, ongepast en ontoepasbaar. Door negationisten te verbieden hun mening te publiceren, jaag je ze zonder meer de catacomben in en geef je ze een misplaatst aureool van martelaarschap. Zoiets kan alleen maar bijdragen tot zieltjeswinnerij voor het handjevol holocaustontkenners.
Censuur, zo leert de ervaring, wekt de nieuwsgierigheid. Het negationisme moet niet verboden of verdonkeremaand worden, maar door historici op basis van feiten, getuigenissen en argumenten weerlegd worden.
Of een opinie kwetsend of onjuist is, kan nooit een criterium zijn om de publicatie ervan te verhinderen. Elke mening, hoe krenkend, dom of onwetenschappelijk ook, moet vrij geuit kunnen worden.
Toen enkele Nederlandse imams bijvoorbeeld verkondigden dat homofielen zieke mensen zijn, ging er een schokgolf door liberaal denkend Nederland. Zelfs toenmalig premier Kok decreteerde dat de imams hun discriminerende visie op de homofiele medemens voor zichzelf moesten houden, anders zouden ze over de grens worden gezet. Terwijl de imams eigenlijk verkondigen wat alle christelijke denominaties, het katholicisme op kop, al jaar en dag prediken: homohaat. Moeten we dan maar meteen ook de bijbel en de koran uit de rekken rukken? Of moeten we, nu we toch bezig zijn, gelijk maar de godsdienstvrijheid afschaffen, want zowel het christendom, de islam als het jodendom verspreiden schriftelijk en mondeling dag in dag uit kwetsende vooroordelen, onwetenschappelijke onzin en achterhaalde visies die stammen van primitieve landbouwgemeenschappen?
Als de vrijheid van mening enkel mag slaan op wat tot de gangbare opinie van de spraakmakende gemeente behoort, dan bestaat geen vrije meningsuiting en kunnen onze opvattingen en inzichten ook niet wijzigen of bijgesteld worden. Wie vandaag dus de democratie of het fatsoen aanroept om bepaalde meningen te verbieden, verhult in feite dat hij niet hoog oploopt met de vrije meningsuiting, en zeker niet met de positieve effecten ervan. Hij zaagt bovendien de tak af waarop hij zelf zit, want alles wat hij heeft en is, heeft hij precies te danken aan de vrijheid van meningsuiting. Die enkele idiotieën en aberraties moeten we er bijnemen. De prijs van de vrijheid op meningsuiting is nu eenmaal de mogelijke confrontatie met meningen waar we het hartsgrondig mee oneens zijn.
Divide et impera*
* Verdeel en heers
Parlementsleden en ministers mogen volgens de Belgische grondwet zeggen wat ze willen. Ze mogen zelfs racistische praat uitslaan, een vreemd staatshoofd beledigen, lasterlijke aantijgingen lanceren... als ze dat maar doen tijdens de uitoefening van hun mandaat. Dat principe wordt de 'parlementaire onverantwoordelijkheid' genoemd.
Niet te verwarren met parlementaire onschendbaarheid. De onschendbaarheid beschermt parlementsleden in strafzaken tegen aanhouding en verwijzing naar een rechtbank. De onverantwoordelijkheid beschermt tegen burgerrechtelijke, strafrechtelijke en tuchtrechtelijke aansprakelijkheid.
Dat betekent dat parlementsleden en ministers vrijheid van spreken hebben. Die vrijheid is verregaand, maar niet ongelimiteerd.
Voor parlementsleden geldt de freedom of speech onder meer tijdens plenaire bijeenkomsten van hun assemblee - bijvoorbeeld op het spreekgestoelte - en ook tijdens commissievergaderingen. Bij uitbreiding geldt dat ook voor uitspraken van een parlementslid gedaan op een vergadering van zijn fractie.
Het parlementslid hoeft zijn uitspraken niet noodzakelijk te doen in het parlementair halfrond, of in het gebouw van het parlement. Het gebeurt soms dat een parlementscommissie zich voor twee dagen terugtrekt, in een hotel aan de Kust of in de Ardennen, om hangende wetsontwerpen en -voorstellen af te werken. Het gebeurt ook dat een parlementaire onderzoekscommissie de situatie ter plekke controleert, zoals bij het bezoek van de commissie-Dutroux aan de kelder van Dutroux' huis in Marcinelle. Uitspraken die de parlementsleden in die omstandigheden doen, vallen eveneens onder de onverantwoordelijkheid.
Voor een minister of premier zijn daarnaast gedekt de uitspraken tijdens de ministerraad, in de vergaderzaal aan de Wetstraat 16, of bijvoorbeeld tijdens een Europese top.
Het gaat telkens om verklaringen in de uitoefening van de functie. Onder de bescherming valt ook het stemgedrag, maar bijvoorbeeld niet een eventueel handgemeen met een collega-parlementslid. Dat kan de klacht slagen en verwondingen opleveren.
De freedom of speech geldt volgens de gangbare interpretatie evenmin tijdens een persconferentie, ook al vindt die plaats in het parlement.
Het verregaande spreekrecht van een parlementslid is historisch te verklaren: het moest hem beschermen tegen vervolging door de (Britse) koning voor een mening die de soeverein niet zinde. Daarom geldt de bescherming van een parlementslid en een minister ook nadat zijn mandaat is beëindigd.
Met dit in het achterhoofd, en de schermutselingen omtrent de Arabisch-Europese Liga en diens frontman Abou Jahjah in het voorhoofd dient gezegd dat de heren politici dan wel niks euvel kan geduid worden. De democratie werd hier alvast een uiterst slechte dienst bewezen.
Want tot het tegendeel is bewezen kan men Abou Jahjah enkel een angry young Arab noemen, die het allemaal wat radicaler en agressiever formuleert. Hij werd prompt opgepakt omwille van wat eigenlijk? Hallucinant, dat is allicht het juiste woord dat past bij die politici, die zonder enige schroom voor uitzonderingswetten begonnen te pleiten. Als de rechtsstaat ons geen middelen geeft om deze grote bek het zwijgen op te leggen, dan werken we wel een nachtje door om er één op maat te maken. Hallo? Moeten we misschien even opnieuw te rade gaan bij het basisbeginsel van de democratie, bij Montesquieu, de geestelijke vader van de scheiding der machten.
"Als de radicale meningen van Jahjah niet langer beschermd zijn, dan ook de onze niet meer. En dat is pas iets om écht bang van te worden", merkte Yves Desmet terecht op.
Liberae sunt nostrae cogitationes*
* Onze gedachten zijn vrij
Een gegeven als vrijheid van meningsuiting is ontegensprekelijk van toepassing op de pers. Niet voor niks is het aan banden leggen van een vrije pers een van de eerste dingen die een dictatoriaal regime op haar agenda heeft staan.
Maar het kan ook veel fijnmaziger. De pers en politici zijn in dit land erg toegankelijk voor elkaar. Maar van druk van zijn kabinet op de schrijvende en audiovisuele journalisten is volgens premier Guy Verhofstadt geen sprake.
Op 16 november verscheen in het NRC een artikel die vanuit een Nederlandse invalshoek 'de moeizame verhouding tussen Belgische politici en de media' bekijkt. De meeste aandacht besteedt de krant aan de relatie tussen de premier en de media. Het artikel verwijst naar voorvallen waarover ook in de Belgische media al gesproken is. De kritische commentaren van de voormalige journalist en de huidige medewerker van de Europese commissaris Frits Bolkestein, Derk-Jan Eppink, verdwenen uit De Standaard. Naar verluidt gebeurde dat na een tussenkomst van Verhofstadt bij de voorzitter van de Europese Commissie, Romano Prodi. Het NRC schrijft ook over andere incidenten en laat Belgische commentatoren en journalisten aan het woord die de indruk bevestigen van een premier die bijzonder gevoelig is voor dissidente persgeluiden.
Daarnaast is er ook de vraag in hoeverre de pers in zijn geheel niet gewoon een 'product' is geworden, dat moet verkocht raken. Om het met een voorbeeld van auteur en ex-hoofdredacteur van De Standaard Hugo De Ridder duidelijk te maken: "kan een krant als De Standaard het zich vandaag nog permitteren tegen de legalisering van euthanasie te zijn, als ze zich met die keuze bij een groot deel van de lezers uit de markt prijst?"
De journalist in de rol van winkelbediende of in de rol van gewetenschopper? "Een journalist zonder engagement is een trieste vent" dixit De Ridder.
Umberto Eco zei ooit dat er twee manieren zijn om mensen niét te informeren: de goede oude Pravda en het zondagsupplement van de New York Times, een kilo papier waar geen mens doorheen raakt.
De informatievloed als vijand van die informatie, zeg maar. Waardoor het de taak is van de journalist om te zorgen voor een selectie en samenhang. En waardoor het net zo belangrijk is/blijft/wordt (schrappen wat niet past) dat die media ongehinderd zijn taak kan vervullen.
In de Verenigde Staten zijn al twee journalisten ontslagen omdat ze te kritisch berichtten over de reactie van president Bush op de aanslagen van 11 september. In de militaire strategie is het beheersen van de media een belangrijk gegeven geworden. Dat betekent onzekere tijden voor journalisten. Kloppen de feiten waarover ze berichten wel en is onafhankelijke verslaggeving in deze omstandigheden nog mogelijk? Waar ligt de grens tussen informatievoorziening en propaganda?
In de Voorbije maanden spraken de vijf grote nieuwszenders (ABC News, NBC News, CBS News, Fox News en CNN) af terughoudend te berichten over Osama bin Laden en zijn Al Qaeda-netwerk. De gezamenlijke beslissing tot zelfcensuur gebeurde na een telefonisch onderhoud tussen topfiguren van de nieuwszenders en Condoleezza Rice, de veiligheidsadviseur van Bush. Volgens Rice bestond het gevaar dat er geheime boodschappen in bin Ladens toespraken verscholen zaten. Daarnaast zou zijn propaganda de moslimbevolking kunnen ophitsen in pakweg de Filippijnen of Maleisië, gebieden waar sommige zenders kunnen worden ontvangen. Voortaan zouden de vijf omroepen alleen nog uittreksels uit de videoboodschappen van Al Qaeda-leden uitzenden.
Dat de zenders voor het eerst in de geschiedenis een dergelijke beslissing namen, is het gevolg van een nieuwe situatie, een nieuwe oorlog en een nieuw soort vijand, stelde Andy Heyward, de voorzitter van CBS News. Een andere topman omschreef de beslissing achteraf in de New York Times als een daad van patriottisme.
Tijdens de aanvallen op Afghanistan gaf president Bush de pers een stand van zaken. Naar eigen zeggen werd op elk front vooruitgang geboekt, zonder ook maar de minste tegenvaller. Op de vraag of de Amerikanen offers zouden moeten maken in deze oorlog, antwoordde Bush droogweg dat de wachttijden in de luchthavens waarschijnlijk langer zouden worden. De vraag is hoe lang het beeld van een oorlog als goed-nieuwsshow overeind zal blijven.
Niet alleen in de VS, maar ook in Europa woedt de propagandaslag. De Britse premier, Tony Blair, deed reeds verwoede pogingen om de berichtgeving op tv aan banden te leggen. Topfiguren van BBC, Sky News en ITN werden in de ambtswoning van Blair ontboden om van gedachten te wisselen over het uitzenden van videobeelden die door bin Laden en het Al Qaeda-netwerk zijn gemaakt. De Britse regering vroeg de zenders een grotere terughoudendheid aan de dag te leggen, maar ving bot. De regering aanvaardde ons standpunt dat de zenders zelf het best zijn geplaatst om te beslissen wat wel en wat niet kan worden uitgezonden, zei Richard Sambrook, de chef nieuwsdienst van de BBC, na het onderhoud.
Bronnen: De Standaard; De Morgen; De Financieel Economische Tijd; Het Belang van Limburg; Gazet van Antwerpen; Knack; The Economist; Newsweek; NRC Handelsblad; The New York Times
De Militanten van de Limiet - Over censuur en vrije meningsuiting (Van Halewyck)