Tegenwoordig bepaalt de criminele berichtgeving, en zeker diegene waarin minderjarigen betrokken zijn, de hoofdpunten van de kranten. Deze dagbladen versterken het onveiligheidsgevoel door zich te focussen op de meest schokkende maar commercieel zeer interessante details. Geen wonder dat het thema jeugdcriminaliteit de laatste jaren een gesmaakt kruid is in de maatschappelijke en politieke debatten van de laatste jaren. Misschien ook omdat de moeilijkheidsgraad ervan lager ligt dan die van de andere politieke en sociale problemen.Als gevolg van een reëel groeiend gevoel van onbehagen krijgt de publieke opinie het gevoel dat de huidige situatie verergert. De jongeren worden ervan beschuldigd om gewelddadiger en gevaarlijker dan ooit te handelen. De vaststelling dat minderjarige Oost-Europese zich in opdracht (al dan niet gedwongen) van criminele organisaties quasi straffeloos kunnen bezondigen aan drugshandel, roofovervallen, home- en carjackings is alleen olie op het vuur van de hierboven vermelde media en de publieke opinie.
Deze problematiek hangt in hoge mate af van het standpunt dat wordt ingenomen, de invalshoek die wordt gehanteerd. Het is een conflict tussen emotie en ratio, tussen filosofieën en cijfers én het dictaat van de sensatiepers.
De onschuldige kinderjaren. Gekoesterd. De hoop voor de toekomst van onze wereld. Een periode waarin wij het kind zo lang mogelijk willen beschermen tegen de gruwel aanwezig op onze aardbol. Soms wordt deze periode bruusk onderbroken. Een minderjarige steelt een handtas, verkoopt drugs of steelt uit winkels.
Vanaf dat moment moet er streng worden opgetreden, moet de maatschappij beschermd worden tegen deze onvolwassen onruststoker, die vaak wordt aanzien als een verloren zaak en volledig verantwoordelijk voor zijn daden. Deze tweeledige discussie, aanwezig bij velen, wordt misschien niet altijd benadrukt. Het standpunt van onze maatschappij tegenover deze kinderen is niet altijd even duidelijk.
Jeugdcriminaliteit bevindt zich in het oog van de storm. De creatie van Everberg en de hervorming van de wetgeving zijn slecht enkele elementen van een evolutie waarbij de regering ons poogt te sturen tot in de richting van een nieuwe benadering van de situatie.
De ideale gelegenheid om de situatie van de minderjarige delinquenten in België uit de doeken te doen. Want indien dit jaar iedereen zich heeft willen bezighouden met jeugdcriminaliteit, dan moet nog bewezen worden dat men zich met de jongeren zelf heeft willen bezighouden.
Aan degenen die het einde van deze geschiedenis willen weten alvorens deze tekst te hebben gelezen kan al verteld worden dat dit dossier nogmaals een staaltje is. Een staaltje van o zo vertrouwde paarsgroene kleurenpalet van onze regering. Van een systeem dat door een gebrek aan middelen en door wanverhoudingen binnen verschillende machtsniveaus de houdbaarheidsdatum al lang heeft overschreden. Van een eerste minister die sneller verkondigt dat hij een oplossing heeft gevonden dan hij een effectieve oplossing heeft uitgewerkt. Van aarzelende internationale instanties. Van liberalen die strenge opsluitingmaatregelen promoten. Van groenen die in het nauw worden gedreven, van socialisten die de projecten van een rood strikje voorzien zonder echt te zijn tussengekomen. Van christen-democraten die wild om zich heen schoppen na een lang passief verleden. Van een parlement dat in naam van het welzijn van de maatschappij op willekeurige tijdstippen de meest willekeurige voorstellen goedkeurt. Van een minister van justitie verkleed als witte ridder. En last but not least van losgebroken jongeren.
Geschiedenis van de wetgeving*1912
De eerste wettekst met betrekking tot de minderjarigen. Deze wet heeft de verdienste het specifiek karakter van de term minderjarige te hebben gedefinieerd. Deze tekst bevestigde ook dat de staat de verantwoordelijkheid draagt om de minderjarige te beschermen, zowel indien hij gevaarlijk (dader) is of zich in gevaar bevindt (slachtoffer).
*1965
De
wet van 8 april 1965 (de trots van de toenmalige minister van Justitie Piet Vermeylen) werkt de theorie rond de bescherming van de minderjarigen dieper uit. Deze tekst omvat twee principes: enerzijds de noodzaak om een vroegtijdige preventieve te kunnen handelen en anderzijds een vroege vorm van een sociale bescherming. Deze wet is ontstaan omdat de sociale en educatieve maatregelen om jongeren te helpen onvoldoende bleken. Ze legt dus de nadruk op de verantwoordelijkheid van de staat ten opzichte van de jongeren, die beschouwd worden als onverantwoordelijk voor hun daden en daartegen beschermd moeten worden.
*1978
In 1978 zorgt de opsplitsing van België in Gemeenschappen en Gewesten ervoor dat de Gemeenschappen bevoegd worden voor alle materies die worden gelinkt aan de hulp van personen. Dus ook de bescherming van de jeugd. Daarenboven wilde men deze bevoegdheid van justitie afnemen omdat dit departement werd verweten de wet van 1965 niet correct toe te passen. In de praktijk werd er bij voorkeur gekozen voor de gerechtelijke bescherming en de begeleiding en niet voor de sociale bescherming, dit tegen het gedachtegoed van de wet van 1965 in. De problematiek werd toen reeds eerder repressief dan opvoedkundig behandeld. Dit verwijt werd dan nog eens gekoppeld aan het protest van de sociale sector die klaagt over een gebrek aan interesse, middelen en respect voor hun werk.
Vandaar de beslissing om de bescherming van de jongeren in een sociaal kader te plaatsen en uit de juridische administratie te halen.
De bescherming van de jongeren wordt dus een aangelegenheid van de gewesten, die het recht hebben om de tekst te wijzigen, alsook de toepassing ervan, behalve de materies die vallen onder het burgerrecht en het strafrecht (voorlopige wet van 1979).
Dit betekent: men maakt een onderscheid in de behandeling van de minderjarige 'slachtoffers' en de 'daders'. De slachtoffers komen terecht in de schoot van de Gemeenschappen, de schuldigen blijven ten laste van het gerecht. Wel worden de Gemeenschappen belast met de uitvoering van de genomen maatregelen.
De speciale wet van 9 augustus 1980 tot de hervorming van de instellingen erkent deze overdracht van bevoegdheden. Maar de conflicten tussen het nationale en communautaire beleid steken de kop op. Dit politieke geharrewar blijft voortduren tot in de jaren negentig... en later zelfs... Of de bezorgdheid om de minderjarigen hierbij op de eerste plaats van onze politici komt, blijft de vraag.
In 1988 doet het Arbitragehof, ondanks de federale tegenkantingen, met een arrest een uitspraak waarbij de Vlaamse Gemeenschap het recht krijgt om de wet van 1965 aan te passen. Dit om de bescherming van de jongeren definitief een regionale bevoegdheid te maken.
Via een decreet bepaalt ook de Franstalige Gemeenschap de organisatie van hulp aan jongeren, en hervormt hiermee de wet van 1965.
Besluit van de Vlaamse regering van 4 april 1990 tot coördinatie van de decreten inzake bijzondere jeugdbijstand.
"In elk gerechtelijk arrondissement wordt een sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbank opgericht, die ten behoeve van diegenen voor wie in uitvoering van deze gecoördineerde decreten of van een wet betreffende de opgave van maatregelen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, een afdwingbare pedagogische maatregel wordt genomen, de opdrachten van sociale aard vervult die hem door magistraten belast met jeugdzaken worden toevertrouwd".
De Vlaamse Gemeenschap moet erover waken dat de maatregelen die worden opgelegd aan jongeren, schuldig bevonden aan afkeurenswaardige feiten, niet in strijd zijn met de rechten van het individu en dat ze educatief en pedagogisch verantwoord zijn. Vergeet echter niet dat de maatregelen worden bepaald door het departement justitie.
Een tekst vol goede bedoelingen maar die niet veel kan veranderen aan de situatie van de minderjarige deliquenten en de dominantie van de gerechtelijke instanties bij het toewijzen van de strafmaat.
Op 20 november 1989 werd het
Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) door de Verenigde Naties goedgekeurd.
Het Vlaams Parlement keurde het
Verdrag op 15 mei 1991 goed. Zo was de Vlaamse overheid in België de eerste overheid die dit Verdrag onderschreven heeft. Na de goedkeuring door de andere overheden werd het in België van kracht op 15 januari 1992. Vanaf deze datum is België en dus ook Vlaanderen gebonden door dit Verdrag.
Het geval BouamarIn februari 1988 wordt België door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens veroordeeld omtrent een bepaling van artikel 53 uit de wet van 1965 die stelde dat in een noodgeval en bij gebrek aan plaats binnen gespecialiseerde instellingen, jongeren die ervan verdacht worden een misdrijf te hebben begaan, in een gevangenis voor volwassenen kunnen worden geplaatst. Aangezien het chronisch gebrek aan plaatsen in de gesloten instellingen word het begrip noodgeval zeer ruim geïnterpreteerd en worden die jongeren regelmatig, zij het tijdelijk, in een gevangenis voor volwassenen geplaatst.
De minderjarige M. Bouamar wordt aangehouden wegens herhaalde criminele feiten. Normaalgezien kon de jeugdrechter beslissen om de jonge crimineel te plaatsen in een gesloten instelling gecombineerd met andere maatregelen.
Wegens plaatsgebrek en wegens de onmacht van de opvangcentra om de jongeman te helpen, verblijft M. Bouamar, in één jaar tijd, 111 dagen in de gevangenis.
Het is hoogst twijfelachtig of 499 kinderen in 1993
gediend waren met een verblijf in de gevangenis !
Europees Hof van de Rechten van de MensHet Europees Hof van de Rechten van de Mens beschuldigt België van een veel te ruime interpretatie van de term noodgeval en van een overduidelijk gebrek aan infrastructuur. Ook wordt benadrukt dat een plaatsing een pedagogisch en niet een bestraffend karakter moet bevatten. Een hechtenis heeft niet de minst educatieve waarde. België wordt bevolen om dit artikel te schrappen.
België aanvaard dit arrest en beslist tot de
intrekking van artikel 53. Deze beslissing leidt tot een
koninklijk besluit dat stelt dat deze wetswijziging uiterlijk op 1 januari 2002 in werking treedt.
Tijd zat om het tij te keren en na te denken over alternatieve wegen. Toch?
*1994
Maatregelen voor minderjarige delinquentenEen andere bijzonderheid aan de wet van 1965 betreffende de jeugdbescherming is artikel 38. Hierin wordt gesteld dat indien een crimineel ouder dan zestien jaar is en wanneer de jeugdrechtbank een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding niet geschikt acht, zij de zaak naar het openbaar ministerie kan verwijzen, met het oog op vervolging voor het gerecht. Door een wijziging in 1994 is een psycho-medisch examen niet meer noodzakelijk en gebeurt de doorverwijzing van de jeugdrechtbank naar het openbaar ministerie automatisch wanneer er na een eerste doorverwijzing opnieuw criminele feiten worden gepleegd.
*1996
De commissie Cornelis, aangesteld door toenmalig minister van Justitie Melchior Wathelet (PSC), publiceert een rapport dat zwaardere sancties (gaande van werkstraf over geldboete tot verplicht verblijf in een federale instelling) voor minderjarige criminelen adviseert.
*1997
Een rapport van Lode Walgrave (KUL), besteld door Stefaan De Clerck (CVP), opvolger van Wathelet als minister van Justitie, promoot de bemiddeling tussen de dader en het slachtoffer en wijst op de mogelijkheid van een justitie van 'herstelling'.
Aan expertiseverslagen, aanbevelingen en allerhande theorieën geen gebrek. Intussen schreeuwen de mensen op het terrein (overladen met werk, geconfronteerd met een gebrek aan middelen - zeker op het gebied van preventie en sociale begeleiding) om hulp die voldoet aan hun noden. Een budget vinden om de 'boel' draaiende te houden is moeilijker te verwezenlijken dan het ontwikkelen van universitaire theorieën en wetsvoorstellen die de naam van de maker dragen en mooi staan op een electorale cv.
Ziehier paarsgroen...*oktober 2000:
In zijn
federale beleidsverklaring van 17 oktober 2002 legt Verhofstadt het accent op de veiligheidsproblematiek omtrent minderjarige boefjes. Inderdaad, onze premier is niet van plan om de veiligheidsproblematiek en het onveiligheidsgevoel (de peilers van het succes van enkele extreme tenoren uit het noorden van ons land) uit de weg te gaan.
*juli 2001:
Minister van justitie Marc Verwilghen stelt een
project voor dat het toenmalige, naar zijn inzien verouderde, systeem moet hervormen. Zijn benadering is een mengeling van verschillende tendentieuze theorieën, die de principes van de wet uit 1965 negeren.
- Men concentreert zich vooral op de aard van het criminele feit en niet op de jongere zelf. Dit heeft tot resultaat dat de procedure zeer nauw aanleunt tegen de berechting van een volwassene en dat de specificiteit van het statuut van een minderjarige in gedrang komt.
- Een rechter kan beslissen om een jeugdige misdadiger voorlopig op te sluiten in een gesloten instelling, met de mogelijkheid om die termijn maandelijks te verlengen. De parallel met de voorlopige hechtenis van een volwassene is wel zeer duidelijk.
- Deze hechtenis valt niet onder de bevoegdheden van de Gemeenschappen.
- Men verlaat het principe van één enkele rechter die een overzicht houdt op het dossier: een eerste rechter neemt voorlopige maatregelen, een tweede rechter spreekt zich uit over de grond van het dossier en een derde rechter volgt de zaken op.
- De sancties wordt uitgebreid: volgens Verwilghen moet een minderjarige worden geconfronteerd met zijn daden. Hij wordt meer "au sérieux" genomen en wordt geconfronteerd met zijn verantwoordelijkheden (...).
Nochtans op een zeer discrete manier voorgesteld tijdens de zomervakantie, wordt het plan onthaalt op kreten van verontwaardiging. Het project krijgt tonnen kritiek te verwerken en de PS en Ecolo zijn er als de kippen bij om elk verder initiatief te blokkeren. Ook de Hoge Raad van Justitie doet haar duit in het zakje.
Hoge Raad voor de Justitie*1 januari 2002
10 jaar na de veroordeling van het Europees Hof voor de rechten van de Mens wordt artikel 53 geschrapt uit de wet omtrent de jeugdbescherming. België mag niet langer minderjarigen in een gevangenis voor volwassenen achter de tralies steken. Er moet worden gekozen voor alternatieve oplossingen. Welke ideeën heeft men in een periode van 10 jaar kunnen uitdokteren?
Geplaatst in het kabinet van het ministerie*Eind januari 2002:
Blijkt nu dat de hervorming niet zo consequent genoemd kan worden. Aan het einde van de maand probeert een Luikse rechter om een jonge misdadiger te plaatsen. Onmogelijk. Geen plaats in de gesloten instellingen, geen alternatieven voor de opsluiting in een volwassenengevangenis, de rechter die weigert om de misdadiger ongemoeid te laten vertrekken...
Het parket besluit om de tekortkomingen in het nieuwe gerechtelijke apparaat in de verf te zetten en stuurt de beschuldigde naar het kabinet van minister Maréchal, belast met hulpverlening aan de Jeugd en van Gezondheid. Groot schandaal...
Maar wat speelt er zich af in het hoofd van de jonge crimineel die als speelbal wordt gebruikt in een sinister machtsspel, vlak nadat de rechter hem heeft gewezen op waarden zoals 'respect voor de andere' en 'verantwoordelijk voor de eigen daden'?
De tegenaanval van de VLDVerhofstadt en Verwilghen schieten in actie. Ze verplichten de twee ministers die bevoegd zijn voor de materie jongeren en welzijn (ministers Vogels en Maréchal) om de wet van 1965 tegen Pasen te hervormen. Ook wordt gestart met de bouw van de instelling in Everberg, een gesloten instelling voor de voorlopige hechtenis van minderjarigen die herhaaldelijk zware overtredingen hebben begaan. Daarenboven wordt een uitstroom georganiseerd van jongeren die niet thuishoren in een gesloten instelling.
Wet van 1 maart 2002Het verbaast niemand dat eenmaal de premier zich met de zaken moeit, alles in sneltreinvaart wordt afgehandeld. Everberg zou al in maart de deuren kunnen openen en een tweede versie van de nieuwe wet zou samen met de paaseitjes op de ontbijttafel van Verwilghen kunnen liggen. De trein gaat zo snel dat het lijkt alsof niemand de moeite heeft gedaan om alle deelnemers over de uiteindelijke bestemming en doelstellingen in te lichten. Het aantal plaatsen, de deadlines, de samenwerkingsakkoorden,... alles lijkt vaag en veranderlijk. Ondanks deze mankementen volgt de regering, alsook het parlement.
EverbergNaast Mol, Beernem en Ruislede is ook de gemeente Everberg toegevoegd aan het vakjargon voor hulpverleners in de sector van de jeugdbescherming. In Everberg worden minderjarige criminelen ouder dan 14 jaar geplaatst, dit in afwachting van een definitieve uitspraak van de jeugdrechtbank. Het centrum is geïnstalleerd in een oude legerkazerne. 3 tot 4,5 miljoen euro wordt vrijgemaakt voor de aankoop en de verbouwingen en bijna 9 miljoen euro per jaar voor de werking ervan. Voorlopig kan elke Gemeenschap 5 jongeren in het centrum kwijt. Het kabinet van Verwilgen wil in de toekomst tot 100 jongeren in het gebouw kwijt. (100 uiterst gevaarlijke jongeren die worden samengebracht op dezelfde plaats, zijn de woorden 'explosieve situatie' hier misplaatst?) De Vlaamse en Franstalige Gemeenschappen zijn realistischer en nemen het getal 50 in de mond.
Het beheer en het onderhoud alsook de bewaking is een federale bevoegdheid. De Gemeenschappen staan in voor de educatieve en psychosociale begeleiding.
De praktijk wijst uit dat de wil van Verhofstadt om sneller dan zijn schaduw de problemen op te lossen heeft geleid tot een opeenstapeling van praktische problemen. Zo moet er dag en nacht worden gewerkt om het gebouw tegen 1 maart 2002 klaar te krijgen en geeft het ministerie van justitie de toestemming om jonge Franstaligen in het centrum onder te brengen, terwijl het opvoedkundig team zelfs nog niet aanwezig is en grote delen van het gebouw nog in de steigers staan.
Eens voor het parlement en geconfronteerd met de critici, veroordeelt Verwilghen - gesteund door Verhofstadt - de nalatigheid van de Gemeenschappen. Wat Verwilgen 'uit het oog verliest' is dat hij zelf de oorzaak is van de onmenselijk hoge werkdruk rond dit dossier.
De zaak MombaertsTot zover Everberg. Ook de wet van 1965 moet worden herbekeken. Verwilghen geeft niet op en tekent de gewijzigde wet in het begin van de maand mei. Net op dat moment verschijnt een 13-jarige Marokkaanse jongen voor de rechtbank wegens de moord op Patrick Mombaerts. De uitspraak van de jeugdrechtbank: vrijspraak en een berisping vergezeld van een boete. De rechter vindt de jongen klaar voor reïntegratie.
Deze zeer milde 'straf' (de term 'straf' mag volgens de wet op de jeugdbescherming niet worden gebruikt) schokt niet alleen de ouders van het slachtoffer maar ook de publieke opinie. De ouders gebruiken elke kans die ze kunnen krijgen om hun ontgoocheling voor de televisiecamera's kenbaar te maken. Het mediaspektakel is begonnen.
Marc Verwilghen bezwijkt onder de druk, geeft zware kritiek op de houding van de rechter en maakt bekend dat hij zelf beroep wil aantekenen tegen deze beslissing; een initiatief dat normaalgezien voorbehouden is aan het Openbaar Ministerie en dat alleen door het ministerie van justitie kan worden gebruikt bij zeer ernstige aangelegenheden. Een weekend lang staat justitie op stelten. De media beleven hoogdagen. 's Maandags beslist het Openbaar Ministerie om in beroep te gaan. Vijgen na Pasen?
Minderjarigen worden dus niet zwaar genoeg aangepakt. Deze conclusie gebruikt Verwilghen in zijn voordeel en hij kondigt zijn tweede versie van het aangepast jeugdsanctierecht aan.
De hervorming van de wet van 1965Het kernkabinet keurt deze laatste hervorming zonder morren goed. Vanuit de oppositie klinkt het dat aan de wet van 1965 niet veel is veranderd. Marc Verwilghen verdedigt zich: 'Al het goede uit de wet van 1965 is overgenomen, ik heb alleen de sancties verzwaard.' Nu moet het akkoord nog in een wettekst worden gegoten en moet er overleg worden gepleegd met de Gemeenschappen. Van een streefdatum geen sprake.
De drie krachtlijnen:
Het politiek akkoord bestaat uit drie aparte wetsontwerpen die aan het parlement worden voorgelegd.
- Het eerste ontwerp introduceert de mogelijkheid van doorverwijzing van delinquente minderjarigen. Jongeren kunnen ook met de bestaande wet van 1965 voor de gewone strafrechter worden gebracht. De jeugdrechter geeft ze in dat geval uit handen. Dit is echter een zeer omslachtige procedure. Met de introductie van de doorverwijzing kunnen minderjarige misdadigers vaker voor de correctionele rechtbank of het assisenhof verschijnen. In afwachting van hun berechting worden deze jongeren geplaatst in een instelling zoals Everberg.
Als de jongeren een gevangenisstraf krijgen opgelegd, komen de jonge delinquenten in een gesloten federale instelling terecht. Hierin schuilt een verschil met de huidige wetgeving: jongeren die na een uithandengeving worden veroordeeld, worden vandaag de dag in een gevangenis voor volwassenen gestopt.
- Jongeren tussen 12 en 16 jaar kunnen vanaf nu ook een geldboete als straf krijgen. Dit komt erop neer dat hun ouders (als wettelijke voogden) dat geld op tafel moeten leggen. De motivatie van Verwilghen: 'Dit is een aansporing voor de ouders om hun kinderen beter op te volgen'.
- De derde hervorming is dat meerderjarigen die minderjarigen inschakelen bij de uitvoering van een misdrijf, zwaarder kunnen worden gestraft.
Deze wijzigingen lijken op het eerste gezicht alle politieke actoren tevreden te stellen: de voorstanders van de harde aanpak hebben uitgebreidere sancties verkregen, terwijl ook de aanhangers van de bescherming van de jongeren een stap in de goede richting hebben gezet.
Het Comité van de Verenigde Naties voor de Rechten van het KindIn 1991 ondertekende België het
Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Dit betekent dat om de zeven jaar een rapport wordt opgesteld dat nagaat of België zich houdt aan de maatregelen die worden opgelegd in het verdrag. Eind mei 2002 was het zover. Ons land wordt door het comité op de vingers getikt over de aanpak van de jeugddelinquentie. Minderjarigen ouder dan 16 mogen niet als volwassenen worden veroordeeld.
Worden ook op de korrel genomen: de haast en overmoed waarmee België haar aanpak van de minderjarigen criminelen wil wijzigen.
Bovendien was het Comité ontgoocheld omdat een groot aantal aanbevelingen van vijf jaar geleden nog altijd niet zijn opgevolgd.
Het Brusselse internaat De besprekingen over het jeugdsanctierecht zet ook het Brusselse Hoofdstedelijk gewest aan het nadenken. Volgens minister-president François-Xavier de Donnea zit er een leemte in de opvang van jeugdige misdadigers. 'Zo bestaan er alternatieve straffen voor minderjarigen die een eerste 'misstap' maken en worden zware misdadigers nu geplaatst in een gesloten instelling. Maar wat met de groep jongeren die meermaals worden opgepakt voor kleinere diefstallen of inbraken in wagens?' Deze jongeren worden gewoon weer vrijgelaten en dit stimuleert het onveiligheidsgevoel.
De oplossing: een internaat voor deze recidivisten. Het gewone onderricht wordt aangevuld met lessen over ethische waarden en burgerzin. Tijdens het weekend en op voorwaarde van een goed gedrag kunnen de kinderen naar huis. Een plek in het internaat is niet vrijwillig, het is een beslissing van de jeugdrechter of het parket.
De Donnea wil samen met de Vlaamse en Franstalige ministers van Onderwijs en met Marc Verwilghen starten met de onderhandelingen. Bij het begin van het schooljaar 2003-2004 wil hij het internaat in gebruik nemen. Wordt zeker verder opgevolgd.
Tot het bittere einde... EverbergDoor een defecte poort en de beslissing van een opvoeder om hem niet tegen te houden, ontsnapt op 20 juni een 17-jarige overvaller uit de jeugdgevangenis van Everberg. Pas op 9 juli kon de politie de jongeman opnieuw arresteren. Door zijn ontsnapping zal hij als een volwassene berecht worden.
Dit voorval drijft de spanning tussen de bevoegde instanties hoog op. Het kabinet van Verwilghen vindt de opvoeder een doorn in het oog. 'De man verklaarde dat hij in Everberg is voor opvoeding, niet voor bewaking. Dat lezen wij niet in het protocolakkoord tussen de Gemeenschappen en federale overheid...' De bevoegde Gemeenschapsminister Nicole Maréchal sprong onmiddellijk in de bres voor de -Franstalige- opvoeder. Zij heeft een andere interpretatie van het protocol: 'Zijn verantwoordelijkheid is de opvoeding van de kinderen, hij is geen bewaker'. Vlaams minister Mieke Vogels zwijgt wijselijk.
Na dit voorval werd er intern druk overleg gepleegd. Alle plooien kunnen worden gladgestreken en iedereen mag het weten: de opvoeder mag terug aan het werk, alles loopt van een leien dakje, de infrastructuur is volledig in orde gebracht, een hecht team wil dit project tot een goed einde wil brengen en alle onduidelijkheden nu zijn uitgeklaard. Dit alles in het belang van de jongeren. Alsof iemand door ooit aan had getwijfeld...
ConclusieDit dossier is verre van opgelost. Men zal moeten afwachten tot Everberg op volle toeren draait om te kunnen bepalen of het centrum het gewenste resultaat bereikt. Verschillende samenwerkingsakkoorden moeten nog worden afgerond en de hervorming van de wet van 1965 bevindt zich nog altijd in een prematuur stadium. Met andere woorden: dit kan nog alle kanten op.
Afronden kan met de volgende gedachte: 'Een grote stap in de politieke communicatie heeft geleid tot een onstabiel heden. Hoe onzeker is de toekomst dan?'