door Redactie op wo 10 nov 2004, 18:45
Omdat niks menselijk ons vreemd is, schenken we in deze donkere dagen graag even aandacht aan het thema armoede. Bijna 8 procent van de bevolking in ons land leeft in armoede. Wie zijn die mensen achter dat cijfer? Wat betekent arm zijn? Hoe word je arm? En vooral: hoe raak je uit die negatieve spiraal?
Moraal van een verhaal
Eerst een kerstverhaaltje vooraf:
Scrooge is gebaseerd op het kerstverhaal A Christmas Carol, dat Charles Dickens in 1843 in minder dan 6 weken schreef. Naast een writers-block, waar hij in die tijd mee sukkelde, waren er ook de nodige financiële kopzorgen. Zijn hoofd stond er dan ook bepaald niet naar om voor een liefdadig doel op 5 oktober van dat jaar een toespraak te houden. Louter omdat zijn zus in het organiserend comité zat, nam hij de uitnodiging aan. Als onderwerp voor die toespraak koos hij de sociale misstanden. Londen kende in die dagen een hoge kindersterfte, kinderen gingen ook zelden naar school. De toespraak op die bewuste 5e oktober bevatte de kiem van het verhaal, waarvan hij de uitgangspunten ineens voor zich zag: enerzijds twee kinderen - genaamd Armoede en Onwetendheid - en anderzijds de uitroep van een vertwijfelde vrek: "ik bezit alles en ik ben ongelukkig."
Werkend aan zijn kerstverhaal voelde hij terug zijn kindertijd zich meester van hem maken: zijn vader in de schuldgevangenis en hijzelf te werk gesteld in een schoenpoetsfabriek. Het verhaal kreeg een accent van leed en opstandigheid; iets dat in zijn vroegere verhalen ontbrak.
Het (overbekende) verhaal vertelt over de kerstavond van de harteloze vrek Ebenezer Scrooge. Die avond wordt hij bezocht door de geest van zijn voormalige partner Jacob Marley, zeven jaar voordien overleden. Marley waarschuwt Scrooge dat hij zijn leven moet veranderen, omdat hijzelf moet boeten voor het feit dat hij tijdens zijn leven nooit om mensen gegeven heeft. Scrooge wordt op het hart gedrukt de waarschuwing serieus te nemen, omdat hem anders hetzelfde lot zal treffen. In de loop van de nacht wordt Scrooge door nog drie anderen geesten bezocht.
De eerste geest, van de Oude Kerst, neemt hem mee terug naar herinneringen uit zijn tijd als jongen en zijn latere jeugd. Door het aanschouwen van deze fragmenten realiseert Scrooge zich dat hij veel dingen van waarde heeft weggegooid.
De tweede geest, van de Huidige Kerst, neemt Scrooge mee naar het huis van zijn kantoorbediende Bob Cratchit. Hoewel de familie arm is, en de jongste zoon kleine Tim (Tiny Tim) een kreupel jongetje blijkt te zijn zonder uitzicht op een lang leven, aanschouwt Scrooge een blije, kerstvierende familie.
De geest van de Nieuwe Kerst, de derde geest, confronteert Scrooge met zijn eigen dood en begrafenis. Scrooge schrikt hevig als hij zich realiseert dat absoluut niemand om hem geeft. Hij smeekt de geest om hem een laatste kans te geven om de echte kerstgedachte uit te dragen.
Als hij de volgende ochtend wakker wordt realiseert Scrooge zich dat hij nog steeds aan Marley's lot kan ontsnappen. Hij is uitgelaten, begroet alle passanten vrolijk, koopt geschenken voor iedereen, verhoogt het salaris van zijn bedienden en wil bij zijn neef Fred gaan dineren. Kortom, Ebenezer Scrooge verandert van een notoire vrek in een warm en menslievend persoon, met oog voor zijn naasten.
Waarna we het prentenboek sluiten en overgaan tot de orde van de dag. Maar ruwweg 750.000 mensen in ons land worden dagdagelijks geconfronteerd met armoede en een schrijnend gebrek aan comfort.
Wie is arm
Hoeveel armen zijn er in België? Op deze vraag worden verschillende antwoorden gegeven. Volgens de sociale indicatoren van het Centrum voor Sociaal Beleid (CSB, 1992) was 6 procent van alle huishoudens arm (volgens de EU-norm: een inkomen van minder dan de helft van de gemiddelde Belg) en 18 procent bestaansonzeker (CSB-norm). In 1997 publiceerde Eurostat cijfers volgens welke in 1993 in België 13 procent van de huishoudens arm zou zijn. Het 'Human Development Report 1997' van de Verenigde Naties vermeldt dat 12 procent van alle individuen in België beneden de armoedelijn leeft.
Algemeen gesteld wordt er van uit gegaan dat ongeveer 7 tot 8 procent van de Belgische bevolking in armoede leeft. Dat zijn dus ongeveer 750.000 mensen. Over dit cijfer kan gediscussieerd worden. Het cijfer wordt beïnvloed door de gebruikte indicatoren. Maar hoe objectief, hoe realistisch zijn deze indicatoren?
België kent een sterk uitgebouwd systeem van sociale bescherming. Zonder de sociale transfers in de sociale zekerheid en sociale bijstand zou nagenoeg 1 Belg op 2 (47%) overeenkomstig de Europese norm een laag inkomen en een armoederisico hebben! Dankzij de pensioenen wordt dit aantal teruggebracht tot 29 procent. Het begrip laag inkomen betekent minder dan 60 procent van de mediaan. Dit wil zeggen dat 15 procent van de bevolking niet beschikt over een equivalent netto-inkomen van ongeveer 8.200 euro (op jaarbasis voor een alleenstaande).
Het aantal mensen dat langdurig (gemeten over drie verschillende jaren) met een laag inkomen moeten leven is 7,7 procent. Dit is het cijfer dat door de overheid wordt bestempeld als 'monetaire armen'.
Hoe zwaar weegt een groep van 7,7 procent?
Een te grote groep mensen, maar politiek gezien een te kleine groep.
Wat betekent armoede
Wat is dat armoede? Volstaat een degelijke woning en voldoende eten of heb je recht op meer? Op een beetje cultuur? Op degelijk onderwijs? Op een avondje film?
Armoede is bovendien een gevoel, een beleving en bijgevolg niet alleen materieel van aard. Zij is dus moeilijk los te koppelen van een nog ruimere en lastiger te vatten variabele: het menselijk geluk. Maar de tegenstelling tussen gelukkig en ongelukkig zijn, blijkt in de praktijk wel heel wat genuanceerder dan die tussen welvaart en armoede. Maakt armoede mensen allicht wel ongelukkig, dan maakt welvaart hen immers nog niet altijd gelukkig.
"Armoede wordt je aangedaan" stelt Koen De Feyter -hoofddocent aan het Instituut voor ontwikkelingsbeleid, te Antwerpen. "Armoede is vaak geen toeval, maar het resultaat van de beslissing om mensen te marginaliseren, om ze op te offeren aan een hoger goed. Die beslissing verschilt niet wezenlijk van de beslissing om hen te martelen of monddood te maken. De beslissingen doen niet meer of minder afbreuk aan de menselijke waardigheid. In beide gevallen hebben de slachtoffers behoefte aan verweer en herstel." Het betoog van De Feyter slaat dan wel op het globale aspect van armoede, het is ontegensprekelijk van toepassing op enkele (recente) voorbeelden van machinaties die mensen van vandaag op morgen confronteren met de grenzen van hun eigen bestaan.
Armoede is een netwerk van sociale uitsluitingen dat zich uitstrekt over meerdere gebieden van het individuele en collectieve bestaan. Het is een toestand die de 'armen' scheidt van de algemeen aanvaarde leefpatronen van de samenleving, terwijl zij zelf niet beschikken over de mogelijkheden om deze kloof op eigen kracht te overbruggen. Deze toestand omvat vele aspecten. Armoede is niet alleen financieel, maar heeft ook te maken met een gering profijt van vele andere sociale goederen, zoals arbeid, onderwijs, wonen, gezondheid, rechtsbedeling, collectieve voorzieningen en cultuur. Deze domeinen staan overigens niet los van elkaar en juist door deze verwevenheid verschilt armoede van andere vormen van sociale uitsluiting, zoals etnische discriminatie, institutionele opsluiting of fysieke ontoegankelijkheid.
Citaat 1: "Weet je wat het is om arm te zijn? Dat je moet kiezen tussen een extra boterham voor de kinderen, of de pillen tegen je ziekte?"
Het Algemeen Verslag over de Armoede
Een scharniermoment in het Belgische armoedebeleid is het Algemeen Verslag over de Armoede (AVA) uit 1994. Dat was het resultaat van een dialoog tussen en met verenigingen waar armen het woord nemen, OCMW's, betrokken organisaties, justitie, bijzondere jeugdzorg, de zorgsector, … AVA werd door wetenschappers en beleidsmensen samen tot stand gebracht. Alle beleidsaspecten werden bekeken door de bril van de arme: gezin, welzijn en gezondheid, arbeid en sociale bescherming, wonen en leefomgeving en tenslotte kennis, cultuur en onderwijs.
Enkele beschouwingen uit dat Armoedeverslag.
De generatie-armen - mensen van wie de ouders en grootouders al in armoede leefden - komen nog altijd niet aan het woord. Hun stem wordt te weinig gehoord. Nochtans behoren zij tot een bevolkingslaag die al sinds eeuwen onderaan de sociale ladder leeft. De armsten onder hen telden nooit en nergens mee: niet in de wetten, niet in het verenigingsleven, niet in het onderwijs, niet in de buurt... Echt leven wordt hen meestal moeilijk, soms zelfs onmogelijk gemaakt door de vele gevolgen van die uitsluiting die zij voortdurend ondervinden: slechte gezondheid, geen vast werk, geen regelmatig inkomen, ongezonde voeding, gebrekkige of geen huisvesting en vorming, uithuisplaatsing van de kinderen. Doffe ellende kortom.
Ondanks grote inspanningen blijft de sociale uitsluiting een trieste realiteit. De minste tegenslag kan leiden tot armoede. De armsten getuigen dat ze zelf verantwoordelijkheid willen dragen voor hun leven en dat van hun gezin, maar de slechte levensomstandigheden dwingen hen een beroep te doen op anderen. Afhankelijk zijn van de goede wil van anderen, ontneemt hen het recht om zelf te leven. Als wij vanuit onze ervaringen spreken, zeggen de armsten in het verslag, dan moeten wij er zelf de besluiten uit kunnen trekken en moeten wij kunnen deelnemen aan de maatschappelijke debatten die totnogtoe zonder ons overal gevoerd worden.
Armste gezinnen moeten kunnen leven als een gewoon gezin, wat nu niet zo is. Kinderen uit arme gezinnen worden van kleinsafaan mee ingeschakeld in de zorg voor het gezin. Heel hun leven wordt bepaald door de herinnering aan vernedering en schaamte. Ondanks de vele inspanningen die de gezinnen leveren, wordt er nog al te dikwijls tot plaatsing over gegaan. De ouders ervaren plaatsing als een grote vernedering, ze voelen zich totaal mislukt in hun ouderschap. Plaatsing lost de oorzaak niet op, en maakt de problemen waarin het gezin verkeert nog groter. De kinderen worden geïsoleerd zonder dat er iets aan de feitelijke situatie verandert.
Citaat 2: "Ik verwijt niemand iets, ook mijn ouders niet. Armoede is een gegeven dat van generatie op generatie overgaat, wat des te erger is, want op die manier sleep je je kinderen óók nog eens mee in een leven dat uitzichtloos is."
Tussen krotwoonst en cultuurtempel
Er is de afgelopen jaren een weinig doordacht sociaal huisvestingsbeleid gevoerd. De belofte van de Vlaamse regering om tijdens deze legislatuur voor 15.000 nieuwe sociale woningen te zorgen, stuit op groot wantrouwen. In oktober 2001 waren er volgens het Rekenhof nog maar projecten goedgekeurd voor minder dan 1.000 huurwoningen. En zelfs als de 15.000 woningen er effectief komen, is het probleem niet opgelost. In 2000 stonden 63.000 gezinnen op de wachtlijst.
Naast het verhogen van het aanbod aan sociale woningen, moet het stelsel van de huursubsidies en installatiepremies toegankelijk worden voor meer mensen met een laag inkomen, zeggen de verschillende betrokken organisaties.
Een echt sociaal woonbeleid houdt ook in dat er eindelijk werk wordt gemaakt van een degelijk grond- en pandenbeleid dat de beschikbaarheid en de betaalbaarheid van bouwgronden stuurt. Voorts dienen de renovatiepremies te focussen op de lage inkomensgroepen en moet de kwaliteit van het woningbestand dringend verbeterd worden. Ten slotte moet er werk gemaakt worden van een geloofwaardig beleid tegen verkrotting en leegstand. In plaats van de leegstandtaks af te schaffen, moet ze gebruikt worden om verlaten woningen in beheer te nemen zodat er een betaalbaar alternatief is voor wie gedwongen wordt een krot te verlaten.
Citaat 3: "Mensen in die situatie leven gemiddeld zo'n 3 tot 4 jaar minder lang, dat zegt al iets."
Maar naast een dak boven het hoofd is er ook nog zoiets als het hoofd zèlf.
De Internationale VN-verklaring van de Rechten van de Mens (1948, Art. 27§1) stelt:
"Eenieder heeft het recht om vrijelijk deel te nemen aan het culturele leven van de gemeenschap, om te genieten van kunst."
Ook de artikelen 19, 22, 23 en 27 van de Belgische Grondwet waarborgen dergelijke rechten.
De Franse priester Wrésinski, stichter van de internationale ATD-Vierde Wereldbeweging noemde cultuur de opperste uitdrukking van samenhorigheid en het krachtigste wapen tegen het fundamenteelste onrecht van de armoede, met name extreme uitsluiting. De strijd om het bestaan kan niet worden gewonnen zonder een zekere bevrediging van geestelijke behoeften, waarvan cultuur een belangrijk segment vormt.
Wil men overgaan tot een specifiek programma ter bevordering van cultuur voor achtergestelde bevolkingslagen dan dient men te vertrekken van volgende punten: de toegang tot de participatie in de cultuur, de cultuur als wapen om armoede te bestrijden, het universele recht op schoonheid en de prioriteit van armsten in het cultuurbeleid.
Sommigen opteren in dit licht voor een zogenaamd cultureel levensminimum. Anderen opteren ervoor een premie voor cultuur aan het bestaansminimum toe te voegen. Sommige kansarmen geven aan dat een dergelijke financiële tegemoetkoming op grond van hun levensomstandigheden, deze omstandigheden nog maar eens bevestigen.
Citaat 4: "Het feit dat de mens in de eerste plaats slechts eten en een dak nodig heeft, is nog steeds een wijdverbreide waanvoorstelling."
Onderwijs als katalysator
Cijfermateriaal toont aan dat kansarmen doorgaans zwak presteren op school en slecht doorstromen in het onderwijs.
Het onderwijs alleen is niet in staat het probleem van uitsluiting en kansarmoede uit de wereld te helpen. Wanneer er analoog ook maatregelen worden getroffen in andere sectoren, kan het onderwijs echter een cruciale rol spelen bij het doorbreken van de armoedecirkel.
Die cruciale rol van het onderwijs in de armoedecirkel valt niet moeilijk te begrijpen: zwakke schoolprestaties betekenen geen of een 'laag' diploma. Dat betekent minder kans op een goedbetaald werk, een laag inkomen (laag loon of vervangingsinkomen) dus en bijgevolg: slechte huisvesting en slechte voeding. Gevolg daarvan is vaak: ziektes, psychische problemen en conflicten thuis. Slechte huisvesting en socio- emotionele problemen brengen met zich mee: zwak presteren van de kinderen op school ... en zo is de cirkel rond. De werkelijkheid is natuurlijk veel complexer, maar dat doet niets af aan de realiteit van deze kansarmoedecirkel.
Kansarme kinderen komen met minder 'bagage' aan de schoolpoort aankloppen. Ten eerste beschikken hun ouders door hun lagere scholingsgraad en lagere maatschappelijke positie over minder vaardigheden en tijd om hen bij de studie te ondersteunen dan andere ouders. Verder beschikt het gezin ook over minder studieondersteunende middelen (een pc, encyclopedie, boeken ...), zijn de gezinsrelaties soms problematisch en/of laat de psychische of fysieke gezondheidstoestand van ouders of kind te wensen over. Dat alles wordt soms ook genoemd: het sociaal en cultureel kapitaal waarover het gezin beschikt. Ook het lagere aspiratieniveau van ouders en kinderen i.v.m. studeren kan onder deze noemer gebracht worden.
Daarnaast is er dan nog het gewone kapitaal: kansarme gezinnen moeten meestal toekomen met een veel te klein inkomen, wat eveneens parten kan spelen bij de schoolloopbaan: minder studeermogelijkheid door een enge behuizing (bvb. geen eigen kamer), minder mogelijkheden om langer naar school te laten gaan. In verband met dat laatste kan nog opgemerkt worden dat het kosteloze onderwijs lang niet altijd overal zo kosteloos is ...
De kostprijs van een jaar lager onderwijs, die kan oplopen tot 500 euro, vormt voor gezinnen met een laag inkomen een zware dobber. In het hoger onderwijs beloopt het kostenplaatje voor de inschrijving, de boeken, het vervoer en eventueel het huren van een kot tussen 1.690 euro en 3.820 euro per jaar. De indirecte kosten, of het gederfde loon zolang iemand op de schoolbanken zit, bedragen een veelvoud daarvan. Ondanks de tegemoetkomingen van de studiebeurs, de kinderbijslag en de belastingvermindering vertegenwoordigt elk academiejaar in het hoger onderwijs een investering van duizenden euro's.
De facto speelt het onderwijs dus meestal een nefaste rol, met name in het bestendigen van de armoede.
Cijfers
Dat kansarmen door de band zwak presteren op school en in het onderwijs slecht doorstromen, blijkt uit allerlei studies. In de literatuurstudie 'Ongelijke onderwijskansen' wordt daarvan een mooi overzicht gegeven (Verhoeven en Kochuyt, 1993).
* Reeds in de kleuterschool stappen kinderen uit lagere sociale milieus gemiddeld later naar school dan de andere.
* Het overgrote deel van de probleemkinderen in het eerste leerjaar is afkomstig uit de lagere sociale milieus: 85 % van de zittenblijvers en 70 % van de kinderen met leermoeilijkheden.
* 85 % van alle leerlingen in het beroepsonderwijs komen uit een lager sociaal milieu.
* Slechts 3 % van de kinderen van ongeschoolde arbeiders en 4 % van de kinderen van geschoolde arbeiders gaan naar het universitair onderwijs. Voor het HOBU zijn de cijfers respectievelijk 6 en 10 %
* Allochtone kinderen behoren voor het overgrote deel eveneens tot de groep van de kansarmen. Dat ook die allochtone leerlingen een grote leerachterstand vertonen, was een aanleiding om in 1991 met het onderwijsvoorrangsbeleid (OVB) van start te gaan. Zo bleken bvb. in het schooljaar 90/91 bij de kinderen van Belgische nationaliteit 10,5 % een jaar achterstand te vertonen in het eerste leerjaar tegenover 33,7 % bij de kinderen van vreemde nationaliteit (Departement Onderwijs, Statistisch Jaarboek). In het schooljaar 95/96 lijkt het verschil in achterstand een beetje afgenomen, maar toch blijft de leerachterstand vooral bij niet-Europese vreemdelingen nog aanzienlijk. In het 1e leerjaar zitten 9 % van de Belgische leerlingen niet meer op leeftijd, tegenover 18 % bij de Europese en 33 % bij de niet-Europese vreemdelingen.
* In het hoger niet-universitair onderwijs hebben slechts 0,81 % van de leerlingen een niet-Europese nationaliteit, terwijl dat cijfer in het gewoon secundair onderwijs rond de 5 % ligt.
Citaat 5: "Je kan daaruit geraken, zolang er maar enig respect getoond wordt. Als er géén respect is, door ons zondermeer tot de vierde wereld te rekenen dan werkt dat erg demotiverend. Je kan je niet voorstellen wat voor een enorm potentieel aan intelligentie en werkkracht deze mensen voor de maatschappij betekenen. Het komt erop aan dit potentieel eigenwaarde mee te geven."
In de ban van de ring
De aanleiding tot armoede en uitsluiting kan worden gezocht bij de betrokkenen zelf, bij het functioneren van instellingen of bij de maatschappelijke ordening.
Individuele invalshoeken leggen de hoofdoorzaak vaak bij de armen zelf: ze zijn arm omdat ze spilziek, lui, onverantwoord, ziek of gehandicapt zijn. Zulke verklaringen geven hoogstens aan waarom individuen in de armoede terechtkomen, maar laten de maatschappelijke processen waarlangs dit gebeurt buiten beschouwing.
Zogenaamde 'conjuncturele' verklaringen van de armoede houden wel deels rekening met de maatschappelijke context, maar dan enkel met een specifiek aspect daarvan, zoals een economische crisis. De veronderstelling is dan dat de armoede grotendeels spontaan zal verdwijnen zodra de magere jaren de plaats ruimen voor de vette. De vaststelling dat armoede over de magere én vette jaren heen persistent is, vraagt evenwel om een andere, structurele verklaring, die rekening houdt met het bredere maatschappelijke kader waarbinnen zij word voortgebracht en in stand gehouden.
Armoede is relatief en tevens functioneel voor de samenleving. De gegoeden ontlenen hun welvaart immers voor een groot deel aan het feit dat anderen arm zijn. Wie zou bijvoorbeeld nog bereid zijn 'vuil werk' te doen, wanneer armoede niet om de hoek zou dreigen? Zoals zij zich vandaag ontwikkelt, heeft armoede bovendien vooral te maken met krachten die de samenleving in een richting sturen die voor de armen ongunstig is. Zo ondergaat de samenleving voortdurende en snelle sociale, technologische en informatieve veranderingen. Daardoor worden opleiding en kennis almaar belangrijker en komt bijgevolg ook de toegangsdrempel voor heel wat jobs en maatschappelijke voorzieningen steeds hoger te liggen. Ook andere veranderingen voeden een toenemende tendens van sociale uitsluiting. Door het alsmaar verder uiteenvallen van de samenleving in steeds kleinere eenheden, verbrokkelen de sociale netwerken die vroeger nog enige geborgenheid boden.
Tegelijk ondergaat die samenleving een 'massificatieproces'. Kleine eenheden zoals het gezin of de buurt verliezen aan belang. Mensen worden steeds vaker als weerloze individuen overgelaten aan de wetten van de anonieme maatschappij. Vooral de armen zijn daar relatief slecht tegen gewapend.
Wil een armoedebestrijdend beleid doelmatig zijn, dan moet het aan een hele reeks voorwaarden voldoen. Ten eerste, moet dat beleid meersporig zijn om de veelvuldige terreinen van armoede aan te pakken. Het mag niet enkel gericht zijn op inkomen, maar moet ook actief zijn op vlakken als werkgelegenheid, onderwijs, huisvesting, sociale participatie en deelname aan cultuur. Bij arbeid gaat het onder meer over de creatie van kwalitatief goede jobs voor laaggeschoolden. Inzake onderwijs dient voldoende aandacht te gaan naar kwaliteitsonderwijs in achtergestelde buurten en naar een democratiseringsbeweging voor achtergestelde groepen.
In de redenering dat voorkomen nog altijd beter (en goedkoper) is dan genezen, moet een armoedebeleid ten tweede ook preventief zijn. De wortels van de armoede moeten worden uitgeroeid om het opduiken ervan te voorkomen.
Een derde voorwaarde is dat de armoedebestrijding geïntegreerd moet zijn. Het beleid mag met andere woorden niet op elk terrein apart worden gevoerd, maar in overleg tussen de actoren die op de uiteenlopende domeinen bezig zijn, inbegrepen de niet-gouvernementele organisaties. Niet in de laatste plaats moeten de armen zelf bij de armoedebestrijding worden betrokken, wat vraagt om een 'bottom-up' gericht beleid. Naast zo'n partnerschap met onder meer verenigingen waar armen het woord nemen, is ook de betrokkenheid van het bedrijfsleven een fundamentele vereiste voor een goed armoedebeleid. Het heeft immers weinig zin dat de overheid via een arbeidsmarktbeleid de armoede probeert te bekampen, wanneer grote economische actoren tegelijk de tegenovergestelde richting uitgaan.
De strijd tegen de armoede is ten slotte alleen doelmatig mits het steunt op een goede kennis en goed begrip van de leefwereld van de armen. Het armoedebeleid moet dus minstens geïnformeerd zijn, maar liefst ook wetenschappenlijk onderbouwd. Heel wat armoedebeleid gaat zelfs vandaag nog altijd zeer intuïtief te werk. Dat komt doordat de onderzoeksagenda te exclusief door de beleidsbekommernissen zelf wordt bepaald en fundamenteel onderzoek met betrekking tot het ontstaan en voortduren van armoede nog grotendeels ontbreekt. Wat hieromtrent bekend is, wordt ofwel gehaald uit grootschalige enquêtes en uitgedrukt in geaggregeerde getallen, ofwel gebaseerd op diepte-interviews en omgezet in citaten uit de mond van de armen.
Tussen deze twee extremen bevindt zich een belangrijk middenveld van onderzoek dat vrijwel braak ligt. Het gaat om onderzoek over toegankelijkheid, over de netwerken van de armen, over hun relatie met de hulpverlening en over vormen van urbane uitsluiting. Onderzoek over de constructie van een multipele armoede-index, over de cultuurpatronen van de armen of over hun deelname aan allerlei maatschappelijke domeinen, ontbreekt helemaal.
Bronnen: De Financieel Economische Tijd; De Standaard; De Morgen; Gazet van Antwerpen; Knack; Interparlementaire Werkgroep Vierde Wereld;
Beweging van Mensen met Laag Inkomen en Kinderen VZW;
J. Vranken, e.a. (2000), Armoede en Sociale Uit-sluiting. Jaarboek 2000
B. Cantillon, e.a. (1999), Sociale Indicatoren 1976-1997, Berichten CSB.
A. Bruyninckx en F. Van Loon (1998), 'Overmatige schuldenlast in Vlaanderen', Tijdschrift voor Welzijnswerk.
J. Jonckers, 'Op weg naar een Europees armoedebeleid: recente ontwikkelingen' (2000).