Artikel 16 van de Grondwet en de voorafgaandelijkheid van de onteigeningsvergoeding

Politiek, actualiteit en maatschappij.

Moderator: Moderatorteam

Artikel 16 van de Grondwet en de voorafgaandelijkheid van de onteigeningsvergoeding

Berichtdoor Avelivloms op za 5 nov 2011, 14:06

Weldra zal Open Vld een wetsvoorstel indienen om zaken zoals het hieronder verhaalde onmogelijk te maken.

Daarom zet ik dit op het forum.

Een waargebeurd verhaal (zie EHRM arrest Mariën) niettegenstaande artikel 16 van de Grondwet.

Artikel 16 van de Grondwet bepaalt: « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling. »

In het hieronder verhaalde geval werd de door de vrederechter bepaalde vergoeding verminderd in "herziening" bij toepassing van artikel 16 van de wet van 26 juli 1962.

Deze praktijk is door het Grondwettelijk Hof goedgekeurd in arrest nr. 77/94.

Is volgens U in het onderstaande geval de onteigeningsvergoeding voorafgaandelijk betaald aan de onteigende, zoals artikel 16 van de Grondwet voorschrijft?

Hier het verhaal:


In 1985 werd een volledig gerenoveerde woning van een echtpaar uit Rumst onteigend op grond van de wet van 26 juli 1962. Op 31 december 1984 kregen de echtgenoten bij aangetekend schrijven een voorstel om hun woning en 2 hectare landbouwgrond minnelijk te verkopen voor de som van 7 200 000 BEF of 178 000 EUR (zie artikel 5, derde lid, en artikel 8, eerste lid, tweede volzin, van de wet van 26 juli 1962). De echtgenoten weigerden dit aanbod. Daarop werd de onteigeningsprocedure opgestart. De vrederechter bepaalde de onteigeningsvergoeding op 8 960 770 BEF of 222 131,69 EUR. De onteigenaar ging in herziening en de rechtbank van eerste aanleg bepaalde de onteigeningsvergoeding op 8 692 978 BEF of 215 493,30 EUR en veroordeelde de echtgenoten tot de betaling, aan de Belgische Staat, van de som van 267 792 BEF of 6 638,39 EUR, vermeerderd met de interesten. Tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg tekenden de echtgenoten hoger beroep aan.

Voor het hof van beroep legde de onteigenaar in het bijzonder de nadruk op het feit dat de echtgenoten de onteigende woning vernieuwd hadden zonder geldige bouwvergunning. Bij arrest van 24 oktober 1994 stelde het Hof van Beroep te Antwerpen vast dat de onteigende woning met berghok en garage, onwettelijk was herbouwd in de mate dat bepaalde werken, andere dan werken van bewaring en onderhoud, waren uitgevoerd zonder de vereiste bouwvergunning. Het Hof verminderde de vergoeding bijgevolg en stelde ze vast op 6 308 694 BEF of 156 388,44 EUR. De echtgenoten werden veroordeeld om de som van 2 652 076 BEF of 65 743,25 EUR, te vermeerderen met de interesten , terug te betalen aan de onteigenaar.

De voorziening in cassatie van de echtgenoten werd door het Hof van Cassatie verworpen bij arrest van 18 juni 1998.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kende de weduwnaar een schadevergoeding toe van 8 700 EUR, wegens de overschrijding van de redelijke termijn. De klacht betreffende de verkeerde toepassing van artikel 16 van de Grondwet, geïncorporeerd in artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, werd onontvankelijk verklaard, wegens niet-uitputting van de interne rechtsmiddelen.

Op het ogenblik waarop de rechtbank van eerste aanleg uitspraak deed was het onteigende huis reeds afgebroken. Een nieuwe schatting van de onteigende woning was dus onmogelijk.

Op het tijdstip waarop het hof van beroep arrest wees hadden de echtgenoten met de onteigeningsvergoeding van de vrederechter een nieuw huis gebouwd. De uitspraak van het hof van beroep zou hen normaal verplicht hebben dat nieuwe huis te verkopen. In 2007, na de kwijtschelding van de interesten heeft de weduwenaar op zijn leeftijd (meer dan 60 jaar) nog een zware lening moeten aangaan (bij een vriend) om de som terug te betalen die hij volgens het arrest moest terugbetalen.

Het onmogelijk maken van deze kwalijke omstandigheden, dat is inzonderheid het doel van artikel 16 van de Grondwet. Artikel 16 van de Grondwet wil voorkomen dat een onteigend gebouw nog moet geschat worden nadat het is afgebroken. Het artikel wil ook voorkomen dat de onteigenden het met de onteigeningsvergoeding gekochte nieuwe gebouw moeten verkopen om de teveel ontvangen onteigeningsvergoeding aan de onteigenaar terug te betalen. Artikel 16 van de Grondwet wil dat de onteigende nadat hij de eigendom van zijn goed verloren heeft zonder zorgen is wat betreft de onteigeningsvergoeding. Hetgeen hij vóór het eigendomsverlies heeft ontvangen moet hij met een gerust gemoed kunnen uitgeven om een nieuw goed te kopen. Hij mag er zeker nooit toe gedwongen worden dat nieuwe goed te verkopen om aan de onteigenaar een gedeelte van de onteigeningsvergoeding terug te betalen.

Mijn vraag (zonder poll) is dan eenvoudig. Gelet op het voorgaande, is de onteigeningsvergoeding in ons land voorafgaandelijk betaald aan de onteigende, zoals artikel 16 van de Grondwet voorschrijft ?
Avelivloms
PI Pro
PI Pro
 
Berichten: 3639
Geregistreerd: ma 9 feb 2009, 16:04

Re: Artikel 16 van de Grondwet en de voorafgaandelijkheid van de onteigeningsvergoeding

Berichtdoor Blauwvoet op za 5 nov 2011, 17:27

Rechtszaken die meer dan 20 jaar duren zijn gewoonweg schandalig.
Welke zin heeft het om nog over schadevergoedingen te spreken als de geleden schade, in sommige gevallen een half mensenleven,onmogelijk nog te vergoeden is ?

De liberale leugenaars zouden beter ijveren voor een snellere rechtspraak zodat er geen levens kapot gemaakt worden door zulke fratsen. :evil:
Blauwvoet
PI Moderator
PI Moderator
 
Berichten: 33976
Geregistreerd: di 3 sep 2002, 02:00
Woonplaats: Antwerpen

Re: Artikel 16 van de Grondwet en de voorafgaandelijkheid van de onteigeningsvergoeding

Berichtdoor Sukkelaar13 op za 5 nov 2011, 18:20

Volgens mij heeft het Europees hof in ieder geval een goed vonnis uitgesproken. Voor de de anti-EUers onder ons, toch een goed punt hé voor het Europees hof.
Sukkelaar13
PI Expert
PI Expert
 
Berichten: 11345
Geregistreerd: zo 24 sep 2006, 13:44

Re: Artikel 16 van de Grondwet en de voorafgaandelijkheid van de onteigeningsvergoeding

Berichtdoor Avelivloms op za 5 nov 2011, 18:43

Blauwvoet schreef:Rechtszaken die meer dan 20 jaar duren zijn gewoonweg schandalig.
Welke zin heeft het om nog over schadevergoedingen te spreken als de geleden schade, in sommige gevallen een half mensenleven,onmogelijk nog te vergoeden is ?

De liberale leugenaars zouden beter ijveren voor een snellere rechtspraak zodat er geen levens kapot gemaakt worden door zulke fratsen. :evil:


Snellere rechtspraak is ook in de tekst van het voorstel voorzien.
Avelivloms
PI Pro
PI Pro
 
Berichten: 3639
Geregistreerd: ma 9 feb 2009, 16:04

Re: Artikel 16 van de Grondwet en de voorafgaandelijkheid van de onteigeningsvergoeding

Berichtdoor Avelivloms op za 12 nov 2011, 18:55

Is er iemand (ik zal me maar illusies maken he) die commentaar te geven heeft op de volgende drie prejudiciële vragen die wij (mijn vriend en ik) voorstellen dat onteigenden ze zouden aanvragen voor de rechtbank van eerste aanleg, wanneer zij volgens de spoedprocedurewet onteigend worden:


1. « Schendt artikel 16 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte artikel 16 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, doordat dit artikel toelaat dat de bedragen van de voorlopige vergoedingen die de vrederechter heeft toegekend in de loop van de rechtspleging in herziening verminderd worden, terwijl artikel 16 van de Grondwet bepaalt dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan tegen voorafgaande schadeloosstelling ? »



2. « Schendt artikel 16 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en/of met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij hetzelfde Verdrag, doordat dit artikel toelaat dat de bedragen van de voorlopige vergoedingen die de vrederechter heeft toegekend in de loop van de rechtspleging in herziening verminderd worden, zelfs indien het onteigende goed sinds de onteigening door de onteigenaar werd afgebroken of door het toedoen of het stilzitten van de onteigenaar van gedaante veranderd is voor (het einde van) het deskundigenonderzoek dat bevolen werd of had kunnen bevolen worden door de rechtbank van eerste aanleg of door het hof van beroep, zodat de onteigende in dat geval geen recht heeft op een eerlijke behandeling van zijn zaak in verband met de herziening van zijn onteigeningsvergoeding, terwijl de onteigende wiens voormalige eigendom sinds de onteigening niet werd afgebroken of niet van gedaante werd veranderd deze waarborg wel heeft vermits hij nog een dienstig deskundigenonderzoek kan bekomen in de loop van de herzieningsprocedure ? »


3. « Schendt de wet van 26 juli 1962 tot instelling van een rechtspleging bij dringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, en inzonderheid artikel 16 van deze wet, de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna : EVRM), en/of met de artikelen 6, § 1 en 14 van het EVRM zelf, doordat deze wet de onteigende discrimineert ten opzichte van de onteigenaar, vermits de onteigenaar zijn hoofddoelstelling, het definitief verwerven van het onteigende goed, binnen een zeer kort tijdsbestek kan bereiken omdat de zaak zeer snel en in feite met voorrang boven alle andere zaken door de vrederechter wordt behandeld, terwijl de onteigende daarentegen zijn hoofddoelstelling, het bekomen van een definitieve onteigeningsvergoeding, slechts kan bereiken na de behandeling door de vrederechter en desnoods pas na een burgerlijk proces voor de rechtbank van eerste aanleg en het hof van beroep, en de voor deze rechtscolleges gevoerde herzieningsprocedure niet behandeld wordt bij voorrang boven alle andere zaken, zodat het eigenlijk de onteigenaar is die een wettelijk recht heeft op een voorafgaandelijke inbezitstelling terwijl het de onteigende is die een grondwettelijk recht heeft op een voorafgaandelijke schadeloosstelling ? »
Avelivloms
PI Pro
PI Pro
 
Berichten: 3639
Geregistreerd: ma 9 feb 2009, 16:04

Re: Artikel 16 van de Grondwet en de voorafgaandelijkheid van de onteigeningsvergoeding

Berichtdoor Avelivloms op ma 19 dec 2011, 16:11

Ik relanceer deze topic ten gerieve van joker, met wie ik graag redetwist.

Wel joker wat denk jij van deze gang van zaken ?

Hier een uittreksel van een tekst die ik geschreven heb:
De voorafgaande schadeloosstelling bij onteigeningen en artikel 16 van de onteigeningswet van 26 juli 1962

Artikel 16 van de Grondwet - Wet van 26 juli 1962 – Artikel 16 – Vermindering van de voorlopige vergoedingen door de vrederechter toegekend – Grondwettelijk Hof liet in 1994 deze vermindering toe – Wetgever van 1835 was ertegen – Enkele auteurs verwierpen ze – Het Grondwettelijk Hof van het Groothertogdom Luxemburg verwierp ze eveneens in 2003 – Tijd voor nieuwe prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof ?

I. Probleemstelling

1. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt: « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling. »
Artikel 16 van de Grondwet is ingegeven door artikel 17 van de Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen van 26 augustus 1789: « La propriété étant un droit inviolable et sacré, nul ne peut en être privé, si ce n’est lorsque la nécessité publique, légalement constatée, l’exige évidemment, et sous la condition d’une juste et préalable indemnité. »
De vraag die hier wordt onderzocht is of artikel 16 van de Grondwet vóór de eigendomsoverdracht of de inbezitstelling een definitieve schadeloosstelling eist, of dat integendeel een provisionele of voorlopige onteigeningsvergoeding volstaat. De definitieve onteigeningsvergoeding staat onherroepelijk vast, behalve in het eerder theoretische geval van een herroeping van het gewijsde. De voorlopige onteigeningsvergoeding kan in een latere fase van de rechtspleging nog gewijzigd worden, verhoogd of verminderd, bijvoorbeeld in de loop van een herzieningsprocedure.
2. De wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, de wet die de gemeenrechtelijke onteigeningswet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemenen nutte heeft verdrongen, neemt genoegen met een voorlopige onteigeningsvergoeding, zoals uit artikel 16 van deze wet blijkt. De wet van 26 juli 1962 voorziet in de tussenkomst van de vrederechter. Na een ruwe schatting van het te onteigenen goed stelt de vrederechter een provisionele vergoeding vast. Na deskundigenonderzoek bepaalt hij een voorlopige onteigeningsvergoeding. De partijen, onteigenaar en onteigende, kunnen de herziening vragen van deze voorlopige vergoeding bij de rechtbank van eerste aanleg. Wanneer de herziening wordt aangevraagd is de onteigenaar al lang eigenaar geworden van het goed dat hij wil verwerven.
De eigendomsoverdracht geschiedt krachtens artikel 11 van de wet van 26 juli 1962 na het eerste provisionele vonnis van de vrederechter (op voorwaarde dat een aantal formaliteiten vervuld worden, waaronder het betalen van de provisionele onteigeningsvergoeding). In een tweede vonnis stelt de vrederechter een voorlopige vergoeding vast. Deze voorlopige onteigeningsvergoeding die door de vrederechter in het tweede vonnis werd vastgesteld kan nog verminderd worden in de loop van de herzieningsprocedure, door de rechtbank van eerste aanleg en door het hof van beroep. Artikel 16, eerste lid, van de wet van 26 juli 1962 heeft het zelfs uitdrukkelijk over « voorlopige vergoedingen » die door de vrederechter worden vastgesteld.
3. Op grond van de wet van 26 juli 1962 wordt een eigenaar binnen een paar weken onteigend. Nadat hij zijn woning – desnoods na een gedwongen uitzetting – heeft moeten verlaten, vraagt de onteigenaar de herziening van de onteigeningsvergoeding met de bedoeling deze vergoeding te laten verminderen. Korte tijd na de inbezitname wordt het onteigende gebouw meestal, zoniet altijd, afgebroken. In een aantal gevallen wordt de onteigeningsvergoeding talloze jaren na de onteigening verminderd en moet de onteigende de som die hij teveel zou hebben ontvangen terugbetalen aan de onteigenaar met interesten op deze som. Deze veroordelingen tot terugbetaling van het teveel ontvangene maken het voor een onteigende totaal onmogelijk de besteding van zijn oorspronkelijke « voorlopige » onteigeningsvergoeding fatsoenlijk te plannen. Met de oorspronkelijke vergoeding heeft hij waarschijnlijk een nieuw huis gekocht. Na de veroordeling tot terugbetaling zal hij zijn nieuwe woning misschien moeten verkopen om het teveel ontvangene met de interesten terug te betalen.

II. De stelling van het Grondwettelijk Hof van België anno 1994

4. Het Grondwettelijk Hof, destijds nog Arbitragehof genoemd, heeft de vraag die hier wordt onderzocht reeds zonder echt voldoening schenkende motivering beantwoord in 1994, waarbij artikel 16 van de wet van 26 juli 1962 alleen werd getoetst aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In arrest nr. 77/94 van 18 oktober 1994 stelde het Grondwettelijk Hof: « De schadeloosstelling dient immers tevens billijk te zijn, wat inhoudt dat de onteigeningsvergoeding even groot moet zijn als het bedrag dat moet worden betaald om zich een onroerend goed aan te schaffen van dezelfde waarde als het goed waarvan de onteigende wordt ontzet. Een onredelijk hoge onteigeningsvergoeding zou, evenzeer als een te lage schadeloosstelling, de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie schenden. » Het Hof stelde eveneens: « Het vereiste van de voorafgaande schadeloosstelling in artikel 16 van de Grondwet impliceert evenwel niet dat het bedrag van de schadeloosstelling voor de inbezitstelling definitief en onherroepelijk moet zijn vastgesteld. » En het Hof besloot: « Door aan elk der partijen de mogelijkheid te bieden de herziening te verkrijgen van de voorlopige onteigeningsvergoeding - zij het in meer of in min - heeft de wetgever de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie niet miskend.»
Het Grondwettelijk Hof schreef letterlijk: « De onteigende mag uit het vereiste van een voorafgaande schadeloosstelling niet het voordeel van een door de spoedeisende omstandigheden mogelijk verkeerdelijk tot stand gekomen onredelijk hoge voorlopige onteigeningsvergoeding putten. » Het Grondwettelijk Hof zegt net nog niet dat het de schuld is van de onteigende dat de snelrechtprocedure van de wet van 26 juli 1962 op hem wordt toegepast. Deze eigenaardige uitspraak van het Grondwettelijk Hof zou weleens een knipperlicht kunnen zijn, dat aangeeft dat arrest nr. 77/94 een eerder ongelukkig gemotiveerd arrest is. Indien de spoedeisende omstandigheden leiden tot een verkeerde onteigeningsvergoeding, dan is het natuurlijk de onteigenaar die daar alle gevolgen moet van dragen. Dat moet het gevolg zijn van artikel 16 van de Grondwet.

III. De vermindering van de onteigeningsvergoeding in de praktijk

5. De door de vrederechter bepaalde voorlopige onteigeningsvergoeding kan dus herzien worden. Deze herziening kan volgens het Grondwettelijk Hof leiden tot de vermindering van de door de vrederechter vastgestelde vergoeding. De definitieve vergoeding kan dus (beduidend) lager zijn dan de voorlopige vergoeding.
De wet van 26 juli 1962 hief de besluitwet van 3 februari 1947 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte op. De besluitwet van 3 februari 1947 nam de rechtspleging over, mits enkele vereenvoudigingen, van de wet van 3 januari 1934. De vordering tot herziening was geregeld door de artikelen 8 en 9 van de besluitwet van 1947 op bijna dezelfde manier als artikel 16 van de wet van 1962. Onder de besluitwet van 1947 zag men dat de voorlopige vergoeding soms drastisch werd verminderd door de herzieningsrechters. Legendarisch was het geval waarin de deskundige die door de vrederechter van Veurne was aangesteld de onteigeningsvergoeding schatte op 4 684 115 frank, waar de vrederechter van Veurne maar 2 222 312 frank toekende, waar de burgerlijke rechtbank van Veurne zonder nieuw deskundigenonderzoek kwam tot een bedrag van 1 482 850 frank, maar waar het Hof van Beroep te Gent het uiteindelijk bedrag eveneens zonder nieuw deskundigenonderzoek vaststelde op 2 626 194 frank.
6. Er wordt nog een geval geciteerd uit de recentere praktijk. Het is een zaak ontleend aan een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen. In 1975 kocht Alfons Mariën samen met zijn echtgenote een eerder vervallen huis met aanhorigheden en een tuin. Dat huis moest gerestaureerd worden.
Vóór de werken die aan de te restaureren woning dienden te worden aangebracht vroegen de echtgenoten aan het college van burgemeester en schepenen de toelating voor het « restaureren » van hun toekomstige woning. Op deze brief kregen de echtgenoten het volgende antwoord: « In aansluiting met Uw vraag, hebben wij de eer Ued. te melden, dat het College U toelating verleende om de passende herstellingen aan te brengen aan Uw woning. »
Op de vitale delen van het gebouw na ( muren en fundering ) werd dit oude gebouw zonder de bemoeiing van een architect volledig vernieuwd. De echtgenoten voerden deze werken eigenhandig uit. De structuur en het uitzicht van het dak werden niet gewijzigd.
De woning werd een kleine tien jaar later het voorwerp van een onteigeningsbesluit, uitgevaardigd voor de uitbreiding van een waterspaarbekken.
In december 1984 kregen de echtgenoten bij aangetekend schrijven een voorstel om hun woning en 2 hectare landbouwgrond minnelijk te verkopen voor de som van 7 200 000 BEF of 178 483,34 EUR.
Er volgde een onteigeningprocedure en op het plaatsbezoek van de vrederechter legden de echtgenoten een schattingsverslag neer van een architect met een schatting van het onroerend goed op een waarde van 11 746 525 BEF of 291 188,74 EUR.
Bij declaratief vonnis van 21 februari 1985 stelde de vrederechter bij ruwe schatting het bedrag van de provisionele vergoeding vast op 7 200 000 BEF of 178 483,34 EUR.
De door de vrederechter aangestelde deskundige raamde de waarde van het onteigende goed op 8 960 770 BEF of 222 131,69 EUR.
Bij vonnis van 23 mei 1985 stelde de vrederechter ten voorlopige titel de onteigeningsvergoeding vast op 8 960 770 BEF of 222 131,69 EUR, een som die door de onteigenaar in consignatie werd gegeven voor hij bezit nam van het onteigende goed. Voor de vrederechter had de onteigenaar niet gezegd dat een bouwvergunning ontbrak.
Op 4 december 1986 begon men met de afbraak van de onteigende woning. De onteigenaar had toen reeds de herziening van de onteigeningsvergoeding gevorderd.
Voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen maakte de onteigenaar in zijn conclusies in één zin melding van het ontbreken van een bouwvergunning. Maar verdere aandacht kreeg dit punt niet. Er werd door de Rechtbank dan ook geen rekening mee gehouden. De Rechtbank overwoog, in één enkele zin, dat er een bouwtoelating was afgegeven. Bij vonnis van 29 mei 1987 stelde de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen de onteigeningsvergoeding vast op 8 692 978 BEF of 215 493,30 EUR en veroordeelde de onteigenden tot de betaling, aan de Belgische Staat, van de som van 267 792 BEF of 6 638,39 EUR, vermeerderd met de interesten. De echtgenoten tekenden hoger beroep aan tegen het vonnis.
De onteigenaar antwoordde met een nieuwe strategie, nl. het hameren op een reeks bouwmisdrijven en het niet aanvragen van een bouwtoelating. De onteigenaar hamerde daarop met de grootste nadruk.
Bij arrest van 24 oktober 1994 stelde het Hof van Beroep te Antwerpen vast dat de onteigende woning onwettelijk was herbouwd in de mate dat bepaalde werken, andere dan werken van bewaring en onderhoud, waren uitgevoerd zonder de vereiste bouwvergunning. Het Hof verminderde de vergoeding en stelde ze vast op 6 308 694 BEF of 156 388,44 EUR. De onteigenden werden veroordeeld, naast de interesten, de som van 2 652 076 BEF of 65 743,25 EUR aan de onteigenaar terug te betalen.
Dit voorbeeld toont aan wat de gevolgen kunnen zijn van het feit dat de herzieningsrechters de vermindering van de « voorlopige vergoedingen » kunnen uitspreken na de afbraak van het onteigende goed. De onteigenden konden niet meer bewijzen hoe de onteigende woning eruitzag. Zij konden dus niet meer aantonen dat deze werken in aanmerking konden zijn gekomen voor regularisatie mits de betaling van een transactiesom, bij toepassing van artikel 65, § 3, van de Stedebouwwet van 29 maart 1962 (wet houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw). Het Hof van Beroep had hun onteigeningsvergoeding verminderd met de meerwaarde die de door hen ondernomen werken aan het goed hadden gegeven. Indien zij hadden kunnen bewijzen dat hun werken in aanmerking zouden zijn gekomen voor regularisatie, dan hadden zij ervoor kunnen pleiten dat hun onteigeningsvergoeding alleen met dit lagere bedrag van de transactiesom had moeten verminderd worden. Dat bedrag was dan immers het ware onrechtmatige voordeel dat zij hadden genoten.
7. Het onmogelijk maken van deze kwalijke omstandigheden, dat is inzonderheid het doel van artikel 16 van de Grondwet. Artikel 16 van de Grondwet wil voorkomen dat een onteigend gebouw nog moet geschat worden nadat het is afgebroken. Het artikel wil ook voorkomen dat de onteigenden het met de onteigeningsvergoeding gekochte nieuwe gebouw moeten verkopen om de teveel ontvangen onteigeningsvergoeding aan de onteigenaar terug te betalen. Artikel 16 van de Grondwet wil dat de onteigende nadat hij de eigendom van zijn goed verloren heeft zonder zorgen is wat betreft de onteigeningsvergoeding. Hetgeen hij vóór het eigendomsverlies heeft ontvangen moet hij met een gerust gemoed kunnen uitgeven om een nieuw goed te kopen. Hij mag er zeker nooit toe gedwongen worden dat nieuwe goed te verkopen om aan de onteigenaar een gedeelte van de onteigeningsvergoeding terug te betalen.
Avelivloms
PI Pro
PI Pro
 
Berichten: 3639
Geregistreerd: ma 9 feb 2009, 16:04

Re: Artikel 16 van de Grondwet en de voorafgaandelijkheid van de onteigeningsvergoeding

Berichtdoor Avelivloms op ma 19 dec 2011, 16:13

Vervolg:

IV. De mening van de wetgever van de wet van 17 april 1835

8. Er zijn waarschijnlijk voldoende redenen om te twijfelen aan de onderbouwdheid van arrest nr. 77/94 van het Grondwettelijk Hof. Bij de interpretatie van artikel 16 van de Grondwet kan men niet terecht bij de « voorbereidende werken » van de Grondwet: de leden van het Nationaal Congres bespraken artikel 16 niet. Ook de travaux préparatoires van artikel 17 van de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger van 26 augustus 1789, dat de regel van de voorafgaandelijke schadeloosstelling voorzag, brengen geen licht in de duisternis: er werd niets over de bespreking opgetekend (er wordt alleen vermeld dat men in afzonderlijke groepen vergaderde).
9. Maar er is de mening van de wetgever van begin 1835, die zeer dicht bij het Nationaal Congres stond. Het Nationaal Congres was toen immers nog geen volle vier jaar uit elkaar en veel leden van het Nationaal Congres zetelden nog in het Parlement.
Een voorlopige of provisionele vergoeding, zoals ingesteld door de wet van 26 juli 1962 (zie artikel 16 van de wet), werd uitdrukkelijk verworpen door de wetgever van de wet van 17 april 1835, in de memorie van toelichting en in het verslag van de Senaatscommissie, die men in samenhang moet lezen. De stelling van de wetgever van 1835 kan dus een licht werpen op de interpretatie van artikel 16 van de Grondwet, artikel 11 van de Grondwet van 1831.
De opstellers van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemenen nutte verwierpen het idee van een voorlopige of provisionele vergoeding. Voor hen moest de onteigende op het ogenblik van de eigendoms- of bezitsoverdracht een definitieve vergoeding ontvangen. Dat blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 17 april 1835.
Bij de bespreking van de wet van 17 april 1835 kwam de vraag ter sprake of de betaling van een voorlopige onteigeningsvergoeding vóór de inbezitname volstond, of dat er vóór die inbezitname een definitieve vergoeding moest betaald zijn. Tot aan de inwerkingtreding van de wet van 17 april 1835 was in België nog de Franse wet van 8 maart 1810 van toepassing, die in bepaalde gevallen (artikelen 19 en 20) genoegen nam met de uitbetaling van een voorlopige vergoeding aan de onteigende.
10. In het Rapport de la Commission chargée d’examiner le Projet de Loi relatif aux expropriations pour cause d’utilité publique van de Senaat, die samengesteld was uit grootgrondbezitters , leest men : « Une loi du 8 mars 1810 y a pourvu. Cette loi n’étant que l’application des principes posés dans une autre loi, pouvait déroger, et a en effet plus d’une fois porté atteinte à la règle qu’elle était appelée à organiser ; quelques unes de ses dispositions ne sont pas en harmonie complète avec le principe de l’indemnité préalable ... »
In het Rapport fait par M. Isidore Fallon sur le projet de loi tendant à remplacer les titres III et IV de la loi du 8 mars 1810 sur les expropriations pour cause d’utilité publique leest men, net zoals in de memorie van toelichting, geen stellige bewering dat de wet van 1810 met haar voorlopige onteigeningsvergoeding stijdig is met de regel van de voorafgaandelijkheid van de schadeloosstelling. Men leest er alleen de tegenstrijdigheden in de rechtspraak van het Hof van Beroep van Brussel, en de weigering van de wetgever om te wachten op een arrest van het Hof van Cassatie.
Verschillende kamers van het Brusselse Hof hadden tegenstrijdige arresten uitgesproken. Eén keer werd de voorlopige onteigeningsvergoeding verenigbaar met artikel 16 van de Grondwet verklaard , twee keer niet. De wetgever moest dus een keuze maken tussen beide stellingen. In het verslag-Fallon leest men: « Ainsi, jugement définitif et paiement préalable de l’indemnité avant la dépossession ; instruction judiciaire accélérée, tels sont les caractères de ce projet de loi. » Men kan opmerken dat Isidore Fallon, die jurist was, een lid was van het Nationaal Congres.
11. In de Memorie van Toelichting bij de wet van 17 april 1835 leest men meer bijzonderheden hierover :
« « Nul ne peut être privé de sa propriété que pour cause d'utilité publique, dans les cas et de la manière établis par la loi, et moyennant une juste et préalable indemnité.»
Quel est l’effet de cette disposition sur le mode d’évaluation de l’indemnité et spécialement sur l’art. 19 de la loi (du 8 mars 1810, n.v.d.i.) ? L’envoi en possession provisoire ne peut-il plus avoir lieu avant le règlement définitif de l’indemnité, ou bien, peut-il être ordonné après une évaluation provisoire, évaluation dont l’art. 20 de cette loi autorisait l’usage ?
Tel est l’objet d’une difficulté sur laquelle il y a actuellement divergence d’opinions et contrariété d’arrêts.
En attendant une sulution qui pourrait se faire attendre longtemps, les travaux d’utilité publique sont entravés dans leur exécution, l’intérêt général est en souffrance, et il est urgent d’aller au-devant des graves inconvéniants qui peuvent résulter de cet état des choses.
C’est ce qui a déterminé le gouvernement à proposer un projet de loi tendant à faire cesser la controverse. Cette controverse peut être terminée de deux manières, soit en maintenant l’indemnité provisoire, à charge de payement ou de consignation avant la prise de possession, soit en abandonnant l’indemnité provisoire, mais en abrégeant la procédure pour la fixation de l’indemnité définitive.
Ces deux systèmes ont été médités et élaborés par des jurisconsultes distingués, qui ont bien voulu nous prêter le concours de leurs lumières ; il est résulté d’un examen approfondi qu’il était possible d’abréger les délais et de simplifier les formes de la procédure au point d’arriver à l’appréciation définitive de l’indemnité sans compromettre le service des travaux publics ; dès lors, cette voie a paru mériter la préférence, et c’est dans ce sens qu’est conçu le projet de loi.»
12. Duidelijker kan men de provisionele of voorlopige vergoeding niet van de hand wijzen. Men kan dus met een gerust gemoed aannemen dat de Grondwetgever in artikel 16 van de Grondwet de voorlopige of provisionele vergoeding heeft verworpen, door een voorafgaandelijke onteigeningsvergoeding te eisen.

V. Meningen in de rechtsleer


13. In de moderne rechtsleer wordt de hier onderzochte vraag niet meer verantwoord met een eigen mening. De auteurs stellen dat het bedrag van de onteigeningsvergoeding niet definitief en onherroepelijk moest vastgesteld zijn voor de inbezitstelling en verwijzen daarvoor naar arrest nr. 77/94 van het Grondwettelijk Hof.
Sommige auteurs behandelen de problematiek van de voorafgaande schadeloosstelling zelfs in het geheel niet.
14. VAN LENNEP schreef: « De onteigening ten openbaar nut raakt een der rechten gewaarborgd door de Grondwet. Art. 11 (lees nu : 16, n.v.d.a.) bepaalt inderdaad dat niemand mag beroofd worden van zijn eigendom dan om redenen van openbaar nut, in de gevallen en op de wijze door de wet voorzien en mits een rechtvaardige en voorafgaande vergoeding. Dit beginsel veronderstelt een vooraf bewerkstelligde en uiteindelijke vergoeding. Betreurenswaardig is het dat men er niet in gelukt is dit beginsel volkomen gaaf te houden. »
15. In 1902 werd er geschreven, door ANSPACH en DELVAUX, dat de onteigeningsvergoeding in werkelijkheid niet voorafgaandelijk wordt betaald : «Le propriétaire a droit à une indemnité ... Elle est pécuniaure ; elle devrait être préalable, tandis que, en fait, elle ne l’est pas.»
ANSPACH en DELVAUX zijn auteurs die openlijk verkondigden dat de Belgische onteigeningswetten reeds in 1902 het oude artikel 11 (huidige artikel 16) van de Grondwet schenden: «Sans doute il existe les articles 11 de la Constitution et 545 du code civil, mais ceux-ci sont absolument violés, pour ne pas dire abrogés, par les lois nouvelles qui admettent la mutation avant le payement.»
16. Zelfs auteurs die op basis van de geest van wat ons artikel 16 van de Grondwet is uiteindelijk de voorlopige inbezitstelling van de onteigenaar mits de consignatie van een som die moet volstaan om de onteigeningsvergoeding te betalen verenigbaar achtten met wat ons artikel 16 van de Grondwet is, geven toe dat er een letterlijke interpretatie van dat artikel mogelijk is. Volgens deze letterlijke interpretatie moet de onteigende op het ogenblik van de eigendomsoverdracht in het bezit zijn van zijn (definitieve) onteigeningsvergoeding.
In Frankrijk schreef DEBRAY in 1845, onder de Charte (Grondwet) van 1830, waarvan artikel 9 de voorafgaandelijkheid van de onteigeningsvergoeding waarborgde: Indien men zich zou houden aan de letter van dat artikel 9, dan zou men moeten zeggen dat men zelfs geen onteigeningsvonnis zou kunnen bekomen zonder de te onteigenen persoon een voorafgaande vergoeding te betalen, vermits het vonnis de eigenaar ontzet uit zijn eigendom. De auteur wijst er echter op dat men artikel 9 van de Charte nooit zo heeft uitgelegd. Dat artikel wil volgens hem beletten dat de eigenaar én zijn goed én zijn vergoeding verliest. Aan artikel 9 is voldaan wanneer een bedrag dat voldoende is om de onteigende te vergoeden geconsigneerd is.
Als men de stelling van DEBRAY nauwgezet analiseert, komt men tot een onthutsende vaststelling. Letterlijk geïnterpreteerd zegt de regel van de voorafgaandelijkheid van de schadeloosstelling dat de schadeloosstelling ... voorafgaandelijk moet zijn. Maar naar de geest geïnterpreteerd komt het erop neer dat de schadeloosstelling verzekerd moet zijn, dat er een waarborg moet voor gestort worden. De woorden van DEBRAY lijken niet overtuigend. Indien de Grondwetgever genoegen zou hebben genomen met een verzekerde schadeloosstelling, dan zou hij dat uitdrukkelijk gezegd hebben. Naar het voorbeeld van de Nederlandse Grondwet.

VI. Het Nederlandse voorbeeld

17. Artikel 14. 1 van de huidige Nederlandse Grondwet bepaalt: « Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.»
18. De eerste Nederlandse Grondwet na de Belgische Revolutie was de Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden van 1848.
Artikel 147 van deze Grondwet bepaalde:
«Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet, dan ten algemeenen nutte en tegen voorafgaande schadeloosstelling.
(...)»
19. De grondwet van 1848 werd vervangen door een nieuwe Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden van 1887.
Artikel 151 van deze Grondwet bepaalde:
«Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan na voorafgaande verklaring bij de wet dat het algemeen nut de onteigening vordert en tegen vooraf genoten of vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander volgens de voorschriften van eene algemeene wet.
(...) »
20. Het overzicht van de evolutie in het Nederlandse grondwettelijk recht betreffende de onteigening ten algemenen nutte verschaft ons een inzicht in de draagwijdte van artikel 16 van onze Grondwet. Indien de Grondwetgever van 1831 een verzekerde schadeloosstelling toelaatbaar had geacht, dan zou hij dat uitdrukkelijk bepaald hebben.
Over de afschaffing van de vereiste van de voorafgaande betaling van de onteigende door de nieuwe grondwetsbepaling schreef een commentator in Nederland: « Voorafgaande betaling wordt nu niet meer vereischt, mits de betaling vooraf verzekerd zij; door deze bepaling is den inhaligen eigenaar een afpersingsmiddel ontvallen. » In de ogen van de gezagsgetrouwe uitleggers van de grondwettelijke regels betreffende onteigeningen is de onteigende zoiets als de « slechte » in een toneelstuk. De afperser dus. De onteigenaar is de « held » want hij is immers de behartiger van het algemeen belang in tegenstelling tot de onteigende die egoïstische private doelstellingen nastreeft.

VII. De stelling van het Luxemburgse Grondwettelijk Hof

21. Nog veelzeggender is het voorbeeld van het Groothertogdom Luxemburg. Bij arrest nr. 16/03 van 7 februari 2003 en bij arresten nr. 34/06 en nr. 35/06 van 12 mei 2006 , heeft het Grondwettelijk Hof van het Groothertogdom Luxemburg geoordeeld dat een provisionele of voorlopige vergoeding voor de onteigende, die dus in een latere fase kan verminderd worden, strijdig was met artikel 16 van de Luxemburgse Grondwet, dat (bijna) identiek dezelfde tekst bevatte als het artikel 16 van de Belgische Grondwet. De aanvankelijke tekst van de Luxemburgse Grondwet voorzag in artikel 16 de vereiste van de voorafgaande schadeloosstelling in geval van onteigening. Na deze drie uitspraken van het Luxemburgs Grondwettelijk Hof, dat de voorlopige onteigeningsvergoeding ongrondwettelijk had verklaard werd artikel 16 van de Luxemburgse Grondwet gewijzigd bij de grondwetswijziging van 24 oktober 2007. De vereiste van de voorafgaande schadeloosstelling werd geschrapt.
Het Luxemburgse Grondwettelijk Hof (Cour constitutionnelle) heeft o.a. bij arrest nr. 16/03 van 7 februari 2003 geoordeeld dat een voorlopige onteigeningsvergoeding niet verenigbaar was met de letter en de geest van het oude artikel 16 van de Luxemburgse Grondwet.
22. In arrest nr. 16/03 van 7 februari 2003 overwoog het Luxemburgse Grondwettelijk Hof (eigen vertaling):
« Overwegende dat artikel 16 van de Grondwet bepaalt, enerzijds, het beginsel dat de eigenaar niet van zijn rechten die hij op zijn eigendom heeft kan beroofd worden, en bepaalt, anderzijds, dat op dat beginsel maar één uitzondering bestaat, te weten het afnemen van de eigendom ten algemenen nutte dat nochtans onderworpen is aan de voorwaarden en de procedures door een wet bepaald en aan de betaling van een billijke en voorafgaande schadeloosstelling.
Dat het eigendomsrecht een fundamenteel recht is en dat iedere afwijking die er afbreuk aan doet strikt moet uitgelegd worden ;
Overwegende dat artikel 28 van de wet van 15 maart 1979 op de onteigening ten algemenen nutte bepaalt dat «wanneer de rechtbank recht doet op het verzoek tot onteigening, zij in hetzelfde vonnis, bij wijze van ruwe schatting, de provisionele vergoedingen vaststelt die de onteigenaar zal moeten betalen ... » en dat artikel 32 van dezelfde wet bepaalt dat «na aan alle verwerende en tussenkomende partijen bij gerechtsdeurwaardersexploot een voor eensluidend verklaard afschrift te hebben laten betekenen van 1) het vonnis dat de provisionele vergoeding vaststelt 2) het attest van de storting van de provisionele vergoeding in de consignatiekas, ... kan de onteigenaar zich in het bezit doen stellen van het onteigende goed bij een bevelschrift van de voorzitter van de rechtbank.»
Overwegende dat de door artikel 16 van de Grondwet bedoelde schadeloosstelling billijk moet zijn, hetgeen betekent dat zij volledig moet zijn om de eigenaar die definitief van zijn eigendom ontzet is te vergoeden ;
Dat zij voorafgaandelijk moet zijn, dat wil zeggen dat haar betaling moet voorafgaan aan de inbezitstelling ;
Overwegende dat de inbezitstelling op de enkele grond van de consignatie van een provisionele vergoeding die bij ruwe schatting wordt bepaald niet in overeenstemming is met artikel 16 van de Grondwet dat een billijke en voorafgaande schadeloosstelling voorschrijft. »
23. De Luxemburgse minister van Openbare Werken Claude Wiseler vatte de rechtspraak van het Luxemburgse Grondwettelijk Hof als volgt samen: « Dans un arrêt du 10 février de cette année-là (2003), la Cour constitutionnelle qui avait été saisie d'une question préjudicielle du tribunal civil dans un litige opposant un particulier à un syndicat de distribution d'eau a conclu à une interprétation stricte de la notion d'indemnité préalable. Cela veut dire que l'indemnisation doit être complète et définitive avant que l'État ne devienne effectivement propriétaire du terrain. Or cela peut durer des années jusqu'à ce que toutes ces opérations, avec expertises, soient achevées. »
Het Luxemburgse voorbeeld leert dat men niet zonder meer de oplossing van het Belgische Grondwettelijk Hof (zie hoger) voor waar mag aannemen.

VIII. Het Franse recht tijdens het Ancien Régime

24. De regel van de voorafgaandelijkheid van de onteigeningsvergoeding dateert niet van 1789. Hij werd reeds in de XVI de eeuw ingevoerd door de Franse Koningen.
De problematiek van het onteigeningsrecht in Frankrijk, van de XVI de eeuw tot enige tijd na de Franse Revolutie, wordt treffend beschreven door Gérard CHIANéA in een bijdrage gepubliceerd n.a.v. de 200 ste verjaardag van de Franse Revolutie. In het Oude Franse recht, het recht van het Ancien Regime, namen de Franse koningen het besluit dat onteigenden voorafgaandelijk moesten vergoed worden, vóór zij hun eigendom moesten prijsgeven. Aldus bepaalde de Koninklijke ordonnantie van Lyon van juni 1510. Verschillende latere koninklijke edikten en proclamaties « ont tous précisés que la prise de biens fonciers ne pouvaient avoir lieu qu’après en avoir d’abord indemnisé les propriétaires . » Deze koninklijke ordonnanties, edikten en proclamaties werden in de praktijk door de administratie niet toegepast: eigenaars worden van hun gronden verjaagd zonder voorafgaandelijke schadevergoeding en soms zelfs zonder enige vergoeding te ontvangen. In de tweede helft van de XVIII de eeuw worden talrijke eigenaars van hun gronden beroofd, voor de aanleg van grote wegen, zonder enige vergoeding te ontvangen. De reden daarvoor wordt in 1784 gegeven door Jullien, Intendant van de Generaliteit van Alençon: de generaliteiten beschikten niet over de nodige kredieten om de onteigende eigenaars te vergoeden. In de generaliteit van Rouen werden de onteigende eigenaars zo’n twintig jaar na de onteigening vergoed. Na de uitbreiding van de stad Rijssel, in 1668, werd de onteigeningsvergoeding uitbetaald met een vertraging van 64 jaar, in 1732.
25. Wanneer in 1787 de provinciale assemblés samengeroepen worden is een van hun belangrijkste klachten dat zij de onteigende grondeigenaars niet naar behoren kunnen vergoeden omdat Bruggen en Wegen het verworven goed had afgebroken of het uitzicht ervan zodanig had gewijzigd vóór de schatting van het verworven goed.
26. De regel van de voorafgaandelijkheid van de onteigeningsvergoeding heeft dus een traditie van niet-toepassing. Gérard CHIANéA drukte de toepassing van het beginsel van de voorafgaande schadeloosstelling van de onteigende kernachtig uit door te verwijzen naar een oude spreuk: « Alle mooie principes bestaan, maar ze worden niet toegepast » (« Toutes les bonnes maximes sont dans le monde, on ne manque qu’à les appliquer »

IX. Vergelijking met een wettekst die een voorafgaandelijke vergoeding eist

27. Onze wetgeving kent één geval waarin er sprake is van een « voorafgaandelijke vergoeding » en een « voorlopige vergoeding ». Die woorden treft men aan in artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 83 van 28 november 1939 betreffende het opsporen en het ontginnen van bitumineuze gesteenten, van petroleum en van brandbare gassen.
28. Artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 83, in de titel « Het bezetten der gronden door de vergunninghouders », luidt als volgt:
«Art. 11. Zonder de uitdrukkelijke toestemming van den eigenaar kan geen enkele vergunning tot opsporen of tot ontginnen van petroleum en brandbare gassen het recht verleenen opzoekingen te doen of welkdanige werken uit te voeren, noch dat om machines of magazijnen aan te brengen in zijn door muren afgesloten erven, in zijn hofplaatsen of tuinen, noch in zijn terreinen palende aan zijn woning of door muren afgesloten erven, binnen een afstand van honderd meter van bedoelde afsluitingen of woningen.
Onder het in voorgaande alinea gestelde voorbehoud, mag ieder houder van een uitsluitende vergunning binnen den door de vergunning aangegeven omtrek, de grondstrooken bezetten op dewelke de noodige installaties voor het gebruik der vergunning moeten worden aangebracht.
Hij mag nochtans de gronden niet betreden en er opzoekingen en ander welkdanige werkzaamheden verrichten, tenzij mits voorafgaandelijke vergoeding van den eigenaar van den bovengrond of mits zekerheidstelling voor de te betalen schadevergoeding.
In geval van oneenigheid wordt de vergoeding of de waarborg voorloopig door den vrederechter bepaald.»
Het voorlaatste lid van dit artikel stelt dat de houder van een uitsluitende vergunning tot opsporen of tot ontginnen van petroleum en brandbare gassen de gronden waarop de petroleum zal worden opgespoord niet mag bezetten dan mits voorafgaandelijke vergoeding van de eigenaar. De opstellers van het koninklijk besluit nr. 83 hebben het nodig geoordeeld een regeling te treffen voor het geval partijen niet zouden overeenkomen. In dat geval voorziet het laatste lid van het artikel. In geval van onenigheid van partijen bepaalt de vrederechter voorlopig de vergoeding. Een dergelijke regeling treft men niet aan in artikel 16 van de Grondwet. Dat zegt genoeg.

X. Voorlopig besluit

29. Het lijkt dat men moet kiezen voor de letterlijke interpretatie van artikel 16 van de Grondwet (zie het citaat uit het werk van DEBRAY). Artikel 16 van de Grondwet is immers duidelijk. Wanneer de tekst van de (grond)wet duidelijk is, moet hij niet worden geïnterpreteerd.
Aangezien artikel 16 van de Grondwet geen onderscheid of uitzondering bevat, mag de uitlegger daar ook geen onderscheid in leggen of uitzondering op aanbrengen. De uitlegger is niet bevoegd daar waar de wet niet onderscheidt, te onderscheiden of af te wijken en zo, de toepassing van een in algemene termen gestelde wettelijke regeling te beperken. De uitlegger mag geen uitzondering op artikel 16 van de Grondwet aanbrengen. Hij mag dus niet aannemen dat een provisionele of een voorlopige onteigeningsvergoeding volstaat. Hij mag de duidelijke bepaling van artikel 16 van de Grondwet niet opzijschuiven door op zoek te gaan naar de « geest » van deze bepaling. Een geest die het voorschrift zou uithollen.
Het Grondwettelijk Hof schreef letterlijk: « De onteigende mag uit het vereiste van een voorafgaande schadeloosstelling niet het voordeel van een door de spoedeisende omstandigheden mogelijk verkeerdelijk tot stand gekomen onredelijk hoge voorlopige onteigeningsvergoeding putten. » Deze welhaast ongepaste uitspraak van het Grondwettelijk Hof is een aanwijzing dat arrest nr. 77/94 een eerder weinig doordacht gemotiveerd arrest is. Het zou nuttig zijn het Grondwettelijk Hof opnieuw te ondervragen. Sinds de bijzondere wet van 9 maart 2003 kan de toetsing nu rechtstreeks gebeuren aan artikel 16 van de Grondwet.
30. Een bepaling betreffende een voorlopige of provisionele vergoeding ontbreekt in artikel 16 van de Grondwet. Onteigening mits de betaling van een voorlopige vergoeding is dus niet toegestaan door artikel 16 van de Grondwet. De wet van 26 juli 1962 is dus strijdig met artikel 16 van de Grondwet. Het Grondwettelijk Hof zou dat in een nieuwe toetsing kunnen vaststellen.
31. De bescherming van de onteigende door artikel 16 van de Grondwet heeft een unilateraal karakter. Het is de onteigende die recht heeft op een voorafgaande schadeloosstelling. Hij mag de onteigeningsvergoeding mits dewelke hij uit zijn eigendom werd ontzet als definitief beschouwen, vermits hij er mag van uitgaan dat artikel 16 van de Grondwet correct werd nageleefd. De onteigenaar heeft dat recht niet. De onteigenaar kan dus niet eisen dat de eerste onteigeningsvergoeding definitief blijft en niet verhoogd wordt. De onteigende mag, krachtens zijn recht op een billijke schadeloosstelling, in de rechtspleging tot herziening de verhoging van de eerste onteigeningsvergoeding eisen. Hij mag gebruik maken van de mogelijkheden die de onteigeningswetten hem bieden. En artikel 16 van de wet van 26 juli 1962 geeft hem het recht de herziening van zijn onteigeningsvergoeding te vragen.
De onteigende heeft dus het recht gebruik te maken van de faciliteiten die de wet van 26 juli 1962 hem aanreikt. Hij mag in de herzieningsprocedure de verhoging van de onteigeningsvergoeding vragen. Hij heeft immers ook recht op een billijke onteigeningsvergoeding. De onteigenaar mag de regel van de voorafgaandelijkheid van de onteigeningsvergoeding niet inroepen om de onteigende te beletten de verhoging van de onteigeningsvergoeding aan te vragen bij de rechtbank van eerste aanleg.
De onteigenaar mag, na de onteigening, geen deel van de onteigeningsvergoeding terugvorderen. Normaal mag de onteigende, na de onteigening, ook geen verhoging van zijn onteigeningsvergoeding meer vragen. Maar de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 laten hem dit wél toe. Artikel 16 van deze wet maakt de herziening mogelijk van de door de vrederechter vastgestelde onteigeningsvergoeding. Artikel 16 van de Grondwet verzet er zich tegen dat de onteigenaar van deze mogelijkheid gebruik maakt. Maar geen enkele grondwettelijke bepaling verbiedt dat de onteigende in de loop van de eigenlijke onteigeningsprocedure, zoals deze door de wetgever werd ingericht, nog een verhoging van zijn onteigeningsvergoeding vraagt.


Wel joker, heb ik weeral mijn tijd verspild ?

Eerlijk zijn !
Avelivloms
PI Pro
PI Pro
 
Berichten: 3639
Geregistreerd: ma 9 feb 2009, 16:04

Re: Artikel 16 van de Grondwet en de voorafgaandelijkheid van de onteigeningsvergoeding

Berichtdoor joker op ma 19 dec 2011, 17:54

Het Grondwettelijk Hof heeft dat heel goed gezegd. Er is wel degelijk een voorafgaandelijke vergoeding. Avelivloms zoekt het weer te ver. Advocaten vinden alrijd een draai om hun cliënt te verdedigen. Wil niet zeggen dat het klopt.
joker
PI Addict
PI Addict
 
Berichten: 300
Geregistreerd: do 25 aug 2011, 17:42

Re: Artikel 16 van de Grondwet en de voorafgaandelijkheid van de onteigeningsvergoeding

Berichtdoor Avelivloms op ma 19 dec 2011, 18:26

Avelivloms schreef:Is er iemand (ik zal me maar illusies maken he) die commentaar te geven heeft op de volgende drie prejudiciële vragen die wij (mijn vriend en ik) voorstellen dat onteigenden ze zouden aanvragen voor de rechtbank van eerste aanleg, wanneer zij volgens de spoedprocedurewet onteigend worden:


1. « Schendt artikel 16 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte artikel 16 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, doordat dit artikel toelaat dat de bedragen van de voorlopige vergoedingen die de vrederechter heeft toegekend in de loop van de rechtspleging in herziening verminderd worden, terwijl artikel 16 van de Grondwet bepaalt dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan tegen voorafgaande schadeloosstelling ? »



2. « Schendt artikel 16 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en/of met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij hetzelfde Verdrag, doordat dit artikel toelaat dat de bedragen van de voorlopige vergoedingen die de vrederechter heeft toegekend in de loop van de rechtspleging in herziening verminderd worden, zelfs indien het onteigende goed sinds de onteigening door de onteigenaar werd afgebroken of door het toedoen of het stilzitten van de onteigenaar van gedaante veranderd is voor (het einde van) het deskundigenonderzoek dat bevolen werd of had kunnen bevolen worden door de rechtbank van eerste aanleg of door het hof van beroep, zodat de onteigende in dat geval geen recht heeft op een eerlijke behandeling van zijn zaak in verband met de herziening van zijn onteigeningsvergoeding, terwijl de onteigende wiens voormalige eigendom sinds de onteigening niet werd afgebroken of niet van gedaante werd veranderd deze waarborg wel heeft vermits hij nog een dienstig deskundigenonderzoek kan bekomen in de loop van de herzieningsprocedure ? »


3. « Schendt de wet van 26 juli 1962 tot instelling van een rechtspleging bij dringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, en inzonderheid artikel 16 van deze wet, de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna : EVRM), en/of met de artikelen 6, § 1 en 14 van het EVRM zelf, doordat deze wet de onteigende discrimineert ten opzichte van de onteigenaar, vermits de onteigenaar zijn hoofddoelstelling, het definitief verwerven van het onteigende goed, binnen een zeer kort tijdsbestek kan bereiken omdat de zaak zeer snel en in feite met voorrang boven alle andere zaken door de vrederechter wordt behandeld, terwijl de onteigende daarentegen zijn hoofddoelstelling, het bekomen van een definitieve onteigeningsvergoeding, slechts kan bereiken na de behandeling door de vrederechter en desnoods pas na een burgerlijk proces voor de rechtbank van eerste aanleg en het hof van beroep, en de voor deze rechtscolleges gevoerde herzieningsprocedure niet behandeld wordt bij voorrang boven alle andere zaken, zodat het eigenlijk de onteigenaar is die een wettelijk recht heeft op een voorafgaandelijke inbezitstelling terwijl het de onteigende is die een grondwettelijk recht heeft op een voorafgaandelijke schadeloosstelling ? »


joker, heb je hierop commentaar ?

Eerlijk he !
Avelivloms
PI Pro
PI Pro
 
Berichten: 3639
Geregistreerd: ma 9 feb 2009, 16:04

Re: Artikel 16 van de Grondwet en de voorafgaandelijkheid van de onteigeningsvergoeding

Berichtdoor joker op ma 19 dec 2011, 20:20

De redenering van avelivloms is gewrongen zoals altijd het geval is wanneer een advocaat een refenering moet uitvinden om zijn client te verdedigen. Vindingrijk zijn advocaten altijd maar dat wil niet zeggen dat ze gelijk hebben.
Nee,ik volg avelivloms niet.
joker
PI Addict
PI Addict
 
Berichten: 300
Geregistreerd: do 25 aug 2011, 17:42

Re: Artikel 16 van de Grondwet en de voorafgaandelijkheid van de onteigeningsvergoeding

Berichtdoor carta magna op di 20 dec 2011, 13:35

joker schreef:De redenering van avelivloms is gewrongen zoals altijd het geval is wanneer een advocaat een refenering moet uitvinden om zijn client te verdedigen. Vindingrijk zijn advocaten altijd maar dat wil niet zeggen dat ze gelijk hebben.
Nee,ik volg avelivloms niet.

Wat zal aveli triestig zijn, dat ons genie hem niet volgt. :wink:
carta magna
PI Addict
PI Addict
 
Berichten: 713
Geregistreerd: za 3 sep 2011, 13:31
Woonplaats: Mol

Re: Artikel 16 van de Grondwet en de voorafgaandelijkheid van de onteigeningsvergoeding

Berichtdoor joker op di 20 dec 2011, 14:35

Wat een advocaat zoals avelivloms denkt,laat mij koud. Advocaten kunnnen het nooit laten om vele bladzijden vol te schrijven ,ook wanneer ze een zaak gemakkelijk kunnen winnen met een relatief eenvoudige argumentatie. Niet verwonderlijk aangezien ze factureren per blad van hun conclusies en voor al de tijd die ze in het uitdenken en schrijven ervan steken. Ik heb vroeger nog advocaten aangestelld in geschillendossiers dus ik kan het weten.
joker
PI Addict
PI Addict
 
Berichten: 300
Geregistreerd: do 25 aug 2011, 17:42

Re: Artikel 16 van de Grondwet en de voorafgaandelijkheid van de onteigeningsvergoeding

Berichtdoor 4sake op di 20 dec 2011, 14:36

Juist afgestudeerden pro deo's zeker die nog met de pamper rondlopen en geen ervaring hebben.
:lol: :lol:
4sake
PI Elite
PI Elite
 
Berichten: 22954
Geregistreerd: do 25 maart 2004, 17:19
Woonplaats: REPUBLIEK Vlaanderen

Re: Artikel 16 van de Grondwet en de voorafgaandelijkheid van de onteigeningsvergoeding

Berichtdoor Avelivloms op di 20 dec 2011, 16:17

Ik leg jullie nogmaals de zaak Mariën voor, een zaak die behandeld is tot voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Fons werd in 1985 onteigend. De vrederechter kende hem een voorlopige onteigeningsvergoeding toe van 8 900 000 BEF
De onteigenaar ging in herziening. De rechtbank van eerste aanleg verminderde de vergoeding met 300 000 BEF. Het hof van beroep verminderde ze met 2 600 000 BEF. De reden was dat het huis herbouwd was zonder geldige bouwvergunning. Fons had alleen maar een korte brief van het schepencollege waarbij hem toelating gegeven werd zijn woning te "herstellen". Dat gebrek aan een bouwvergunning was door de onteigenaar niet opgeworpen voor de vrederechter. Daarmee werd gewacht tot het onteigende huis volledig was afgebroken.

Joker, wat denk je over zulke toestanden ?

Is de schadeloosstelling van Fons voorafgaandelijk betaald aan de onteigening ? Je mening, eerlijk he!
Avelivloms
PI Pro
PI Pro
 
Berichten: 3639
Geregistreerd: ma 9 feb 2009, 16:04

Re: Artikel 16 van de Grondwet en de voorafgaandelijkheid van de onteigeningsvergoeding

Berichtdoor joker op di 20 dec 2011, 17:23

Er is overduidelijk een voorafgaande schadeloosstelling. Wijzigingen achteraf aan het bedrag,veranderen daar niets aan.
joker
PI Addict
PI Addict
 
Berichten: 300
Geregistreerd: do 25 aug 2011, 17:42


Keer terug naar Politiek en actualiteit

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers. en 0 gasten


cron