door Avelivloms op zo 12 jun 2011, 14:48
Ik geef mijn meer uitgewerkte middelen:
De bestreden bepalingen schenden artikel 12 van de Grondwet, deze bepaling samen genomen met artikel 5, inzonderheid artikel 5. 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ( hierna : EVRM ).
Wanneer een verdragsbepaling die België bindt, een draagwijdte heeft die analoog is aan die van een of meer grondwetsbepalingen, vormen de waarborgen vervat in die verdragsbepaling een onlosmakelijk geheel met de waarborgen die in de betrokken grondwetsbepalingen zijn opgenomen. Daaruit volgt dat, wanneer een schending wordt aangevoerd van een bepaling van titel II of van de artikelen 170, 172 of 191 van de Grondwet, het Hof bij zijn onderzoek rekening houdt met internationaalrechtelijke bepalingen die analoge rechten of vrijheden waarborgen (zie bijvoorbeeld arrest nr. 162/2004 van het Hof van 20 oktober 2004, overwegingen B.2.3 en B.2.4 ; zie ook
arrest van het Hof nr. 76/2009 van 5 mei 2009, overweging B.4.3 en arrest nr. 101/2005 van het Hof van 1 juni 2005, overweging B.2.3).
Vermits zowel artikel 12 van de Grondwet als artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens het recht op vrijheid waarborgen, dient het Hof, bij de toetsing aan de aangehaalde grondwetsbepaling, rekening te houden met de voormelde verdragsbepaling (zie arrest nr. 23/2011 van het Hof van 10 februari 2011, overweging B.4.3).
De waarborgen vervat in artikel 5. 3 van het EVRM vormen bijgevolg een onlosmakelijk geheel met de waarborgen die in artikel 12, laatste lid, van de Grondwet zijn opgenomen.
Artikel 12, laatste lid, van de Grondwet bepaalt: « Behalve bij ontdekking op heterdaad kan niemand worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter, dat moet worden betekend bij de aanhouding of uiterlijk binnen vierentwintig uren. »
Artikel 5. 3 van het EVRM bepaalt: « Een ieder die is gearresteerd of gedetineerd, overeenkomstig lid 1.c van dit artikel, moet onverwijld ( promptly/ aussitôt ) voor een rechter worden geleid of voor een andere magistraat die door de wet bevoegd verklaard is rechterlijke macht uit te oefenen ... ». Artikel 5. 1 van het EVRM bepaalt: « Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure ». In België hebben de woorden onverwijld/promptly/aussitôt tenminste de betekenis « binnen de 24 uren vanaf de effectieve vrijheidsberoving ». Dit volgt uit artikel 12, laatste lid, van de Grondwet, dat voor de toepassing van artikel 5 van het EVRM in acht moet worden genomen bij toepassing van artikel 53 van het EVRM.
In België moet er bijgevolg krachtens artikel 12 van de Grondwet en artikel 5. 3 van het EVRM binnen de 24 uur door de onderzoeksrechter onderzocht worden worden of er omstandigheden zijn die pleiten voor de aanhouding ; de onderzoeksrechter moet zich volgens juridische criteria uitspreken over het bestaan van redenen die de aanhouding wettigen en moet, wanneer deze redenen ontbreken, de invrijheidstelling bevelen (EHRM, 25 maart 1999, zaak Nikolova t. Bulgarijë, § 49: « le magistrat dont il est question à l’article 5 § 3 a pour rôle d’examiner les circonstances qui militent pour ou contre la détention, de se prononcer selon des critères juridiques sur l’existence de raisons la justifiant et, en leur absence, d’ordonner l’élargissement »).
Artikel 5. 3 van het EVRM verschaft de verdachte toegang tot de rechter (EHRM, 29 april 1999, zaak T.W. t. Malta, § 41: « Les premiers mots de l’article 5 § 3 ne se contentent pas de l’accès du détenu à une autorité judiciaire ; ils visent à imposer au magistrat devant lequel la personne arrêtée comparaît l'obligation d'examiner les circonstances militant pour ou contre la détention, de se prononcer selon des critères juridiques sur l'existence de raisons la justifiant et, en leur absence, d'ordonner l'élargissement (arrêt De Jong, Baljet et Van den Brink c. Pays-Bas du 22 mai 1984, série A n° 77, pp. 21-24, §§ 44, 47 et 51). En d’autres termes, l’article 5 § 3 exige que le magistrat se penche sur le bien-fondé de la détention. »
Toegang tot de rechter impliceert dat de verdachte door de rechter persoonlijk wordt gehoord. Dit werd duidelijk gesteld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, 18 februari 1999, zaak Hood t. Verenigd Koninkrijk, § 60: « les exigences de procédure et de fond de l'article 5 § 3, qui comportent notamment l’obligation pour le « magistrat » d’entendre personnellement le prévenu, d’examiner toutes les circonstances qui militent pour ou contre la détention provisoire et d’en rendre compte dans la décision de détenir l’intéressé (arrêt Schiesser c. Suisse du 4 décembre 1979, série A n° 34, pp. 13-14, § 31, et arrêt Letellier c. France du 26 juin 1991, série A n° 207, p. 18, § 35). Dans son arrêt Duinhof et Duijf c. Pays-Bas, la Cour a en outre souligné l’importance des « exigences précisées par « la loi », par opposition aux pratiques habituelles, lorsqu’il s’agit de déterminer si une procédure nationale visant à statuer sur la liberté individuelle satisfait aux impératifs de l’article 5 § 3 (arrêt du 22 mai 1984, série A n° 79, pp. 15-16, § 34) ; EHRM (Grote Kamer), 29 maart 2010, zaak Medvedyev e.a. t. Frankrijk, § 124 : « la formulation à la base de la jurisprudence constante de la Cour remonte à l'affaire Schiesser précitée (§ 31) : « (...) [A] cela s'ajoutent, d'après l'article 5 § 3, une exigence de procédure et une de fond. A la charge du « magistrat », la première comporte l'obligation d'entendre personnellement l'individu traduit devant lui (voir, mutatis mutandis, Winterwerp précité, § 60) ; »).
Het persoonlijk horen van de verdachte door de rechter is een vereiste (EHRM, 22 mei 1984, zaak De Jong, Baljet en Van den Brink t. Nederland, § 51: « Le libellé du paragraphe 3 (art. 5-3) ("doit être aussitôt traduite"), lu à la lumière de son objet et de son but, rend manifeste l’"exigence de procédure" qui s’en dégage: le "juge" ou "magistrat" doit entendre l’intéressé et prendre la décision appropriée »).
Wanneer iemand betrapt wordt bij bijv. winkeldiefstal, dan komt de politie ter plaatse. De verdachte persoon wordt overgebracht naar het Politiehuis, en voorgeleid voor de officier met weekdienst die overgaat tot arrestatie. De verdachte persoon wordt verhoord door de politie die een proces-verbaal opmaakt. De officier neemt vervolgens contact op met de parketmagistraat die oordeelt of de arrestatie blijft gehandhaafd. Indien de verdachte in voorarrest moet blijven, moet hij/zij binnen de 24 uur worden voorgeleid voor een onderzoeksrechter. Het eventuele bevel tot aanhouding moet de verdachte worden betekend, nadat hij door de onderzoeksrechter werd gehoord, binnen deze termijn van 24 uur. Bij gebreke van een tijdige betekening moet de verdachte in vrijheid worden gesteld.
Het bevel tot aanhouding van een verdachte moet hem worden betekend binnen 24 uren te rekenen van de effectieve vrijheidsbeneming. Dit blijkt duidelijk uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie (zie bijvoorbeeld Cass., 26 juni 1991, Pas., 1991, I, 937; Arr. Cass., 1990-1991, 1067; Rev. Dr. Pén., 1992, 110, vernietiging op grond van een ambtshalve aangehaald middel). Deze regel is kennelijk verankerd in artikel 12 van de Grondwet.
De bestreden bepalingen laten toe dat deze termijn van vierentwintig uren verlengd wordt tot achtenveertig uren zonder dat de verdachte voor de onderzoeksrechter wordt geleid en door de onderzoeksrechter wordt gehoord binnen deze termijn van 24 uur. Zij schenden bijgevolg artikel 12 van de Grondwet, gelezen samen met artikel 5 van het EVRM.
Het bevel tot verlenging van artikel 15bis kan niet gelden als het bevel vereist door artikel 12 van de Grondwet, vermits de verdachte door de rechter niet wordt gehoord voor het afleveren van het bevel van artikel 15bis.
Verzoeker vestigt de aandacht op een amendement dat in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend door de Heer Giet en Mevrouw Déom (amendement nr. 16):
« De habeas corpus-regeling en de daarmee gepaard gaande beginselen, namelijk de strikte voorwaarden voor een vrijheidsbeneming, vormen één van de pijlers van de democratie.
De grondwetgever van 1831 heeft zulks trouwens uitdrukkelijk opgenomen in artikel 7 (ondertussen artikel 12) van onze Grondwet:
“De vrijheid van de persoon is gewaarborgd.
Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft.
Behalve bij ontdekking op heterdaad kan niemand worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van rechter, dat moet worden betekend bij de aanhouding of uiterlijk binnen vierentwintig uren.”
Al geruime tijd willen velen, om uiteenlopende redenen, die periode van 24 uur, die doorgaans de inverzekeringstelling wordt genoemd, verlengen.
De indieners van het amendement kunnen bijgevolg niet achter de beslissing staan om de duur van die inverzekeringstelling te wijzigen in het kader van de omzetting van de Europese rechtspraak in Belgisch recht naar aanleiding van het arrest-Salduz.
De nieuwe uit dat arrest ontstane verplichtingen dienden immers als voorwendsel om de grondwettelijke en wettelijke termijn van 24 uur te verdubbelen, zonder daarbij de Grondwet te herzien.
Volgens de indieners van het amendement lijkt men lichtzinnig om te springen met die verlenging van de inverzekeringstelling, zonder er een reële verantwoording voor te geven. Een dergelijke belangrijke maatregel die rechtstreeks tornt aan de meest fundamentele democratische rechten, moet gepaard gaan met een herziening van de Grondwet.
De termijn van 24 uur strekt ertoe te voorkomen dat al te schadelijke gevolgen rijzen als gevolg van de vrijheidsberoving van een persoon die naderhand niet zou worden aangehouden omdat jegens hem geen bewijskrachtige elementen bestaan of omdat zijn schuld niet kon worden bewezen.
De Grondwet zelf verankert die termijn, wat zo nodig bewijst dat die regel fundamenteel is. » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53 1279/003, blz. 18).
Verzoeker vestigt eveneens de aandacht op de overwegingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat stelt dat artikel 5. 3 van het EVRM de aangehouden persoon beschermt tegen willekeur, geheime vrijheidsberovingen en mishandelingen (EHRM (Grote Kamer), 29 maart 2010, zaak Medvedyev e.a. t. Frankrijk, § 118 : « La Cour rappelle également l'importance des garanties de l'article 5 § 3 pour la personne arrêtée. Cet article vise à assurer que la personne arrêtée soit aussitôt physiquement conduite devant une autorité judiciaire. Ce contrôle judiciaire rapide et automatique assure aussi une protection appréciable contre les comportements arbitraires, les détentions au secret et les mauvais traitements (voir, par exemple, les arrêts Brogan et autres, précité, § 58, Brannigan et McBride c. Royaume-Uni, 26 mai 1993, série A no 258-B, p. 55, §§ 62-63, Aquilina c. Malte [GC], no 25642/94, § 49, CEDH 1999-III, Dikme c. Turquie, no 20869/92, § 66, CEDH 2000-VIII, et Öcalan c. Turquie, no 46221/99 , § 103, CEDH 2005-IV). » ).
De afdeling wetgeving van de Raad van State zag geen probleem in het bestreden artikel 15bis. De afdeling schreef in haar advies NR. 49 413/AV van 19 april 2011: « Volgens artikel 12 van de Grondwet moet, in geval van aanhouding van een persoon, “een met redenen omkleed bevel van de rechter” worden betekend “bij de aanhouding of uiterlijk binnen vierentwintig uren”. Om het naleven van die termijn mogelijk te maken voorziet het ontwerp in de mogelijkheid voor de onderzoeksrechter om, binnen de bedoelde termijn van 24 uren, een gemotiveerd bevel tot verlenging van de termijn te nemen. Dat bevel is dan het in de Grondwet bedoelde “bevel van de rechter”, dat de titel vormt voor de verdere vrijheidsbeneming van de verdachte. Die vrijheidsbeneming mag niet langer duren dan 24 uren: binnen die termijn moet de onderzoeksrechter beslissen of hij al dan niet een formeel bevel tot aanhouding verleent. » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53 1279/002, blz. 5).
De Raad van State heeft echter geen acht geslagen op de hoger geciteerde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, die eist dat de rechter de aangehouden persoon onverwijld/promptly/aussitôt persoonlijk hoort na zijn vrijheidsberoving. Uit de artikelen 12 van de Grondwet en 5. 3 van het EVRM volgt dat in België dit horen van de aangehoudene door de rechter moet gebeuren binnen de 24 uren na de effectieve vrijheidsberoving.
En baur, je mening hierover?